Opinie: ‘Bewapende drone is helemaal niet zo’n superwapen’

Een meerderheid in de Tweede Kamer wil, tegen de achtergrond van de oorlog in Oekraïne, het kabinet aansporen tot het bewapenen van de nieuwe MQ-9 Reaper-drones. Jip van Dort en Lauren Gould vinden dat eerst alle maatschappelijke implicaties daarvan in kaart moeten worden gebracht.

Jip van Dort en Lauren Gould
De Nederlandse MQ-9 Reaperdrone. Het toestel van de Koninklijke Luchtmacht is een onbemand verkenningsvliegtuig. Beeld ANP
De Nederlandse MQ-9 Reaperdrone. Het toestel van de Koninklijke Luchtmacht is een onbemand verkenningsvliegtuig.Beeld ANP

In 2013 besloot Nederland tot de aanschaf van vier MQ-9 Reaper-drones, ook bekend als de hunter killers. Om de weerstand in de Tweede Kamer te overwinnen, werd herhaaldelijk beweerd dat deze onbemande vliegtuigen alleen gebruikt zouden worden voor waarneming en het vergaren van inlichtingen. Van bewapening zou geen sprake zijn.

Vorig jaar arriveerden de drones en afgelopen week was er een eerste vlucht. Nog nauwelijks was deze vlucht afgerond of een meerderheid in de Tweede Kamer greep de oorlog in Oekraïne aan om het kabinet aan te sporen tot bewapening. Ook de hoogste baas van de krijgsmacht, Onno Eichelsheim, bepleitte dat. In Nieuwsuur zei hij, eveneens vorige week, dat bewapening in de huidige situatie logisch is. Onder groeiende druk vanuit de Kamer en de krijgsmacht bezint minister van Defensie Ollongren zich momenteel op dit vraagstuk.

Wat de regering de komende maanden ook besluit, belangrijk is dat deze keuze gepaard gaat met een serieuze politieke, maar ook maatschappelijke discussie – een discussie die tot op heden nauwelijks gevoerd wordt. Dat is problematisch, want de inmiddels wijdverbreide praktijk van een langeafstandsoorlog middels drones dwingt tot bedachtzaamheid. Inzet van dit wapen kan immers gemakkelijk leiden tot (veel) burgerslachtoffers, meer vijanden, meer oorlog en schendingen van het internationaal recht.

Superwapens

Drones worden vaak in de etalage gezet als superwapens, die zowel kosteloos zijn voor onze militairen, die immers geen direct risico lopen, als voor burgers in oorlogsgebied, omdat precisiemunitie wordt gebruikt. Vooral dat laatste verdient tegenspraak.

Tijdens een Amerikaanse aanval afgelopen zomer op Kabul, Afghanistan, werden bijvoorbeeld tien burgers gedood, vooral kinderen. En tijdens operatie Haymaker, in 2012-2013, ook in Afghanistan, werden bij talloze Amerikaanse droneaanvallen in een aantal maanden tijd in 90 procent van de gevallen de verkeerde personen gedood. Afgelopen decennia, vooral tijdens de zogenaamde War on Terror, zijn vele duizenden gedood met drones, ook veel burgers, steeds met ‘slimme’ bommen.

Mede omdat zo vaak burgers zijn gedood, maar ook omdat de continue aanwezigheid van drones in het luchtruim ernstige psychische schade oplevert bij de bevolking die eronder leeft, zijn velen het erover eens dat deze vorm van oorlogvoering geregeld contraproductief is. Een viertal voormalige dronebestuurders stelde, in 2015, dat het Amerikaanse beleid jihadisten van bijvoorbeeld Islamitische Staat en Al Qaida juist helpt bij het rekruteren van nieuwe strijders. Hetzelfde effect werd gedocumenteerd in een geheim CIA-rapport uit 2009, dat jaren later werd onthuld door Wikileaks.

Faciliteren oorlog

Bovendien, omdat eigen slachtoffers zijn uitgesloten en drones in onherbergzaam gebied kunnen worden ingezet, kan de politieke weerstand tegen het gebruik van geweld afnemen. Het risico is reëel dat dit wapensysteem daarom meer oorlog faciliteert. Het is een teken aan de wand dat afgelopen decennia drones ook veelvuldig werden ingezet buiten oorlogsgebied, bijvoorbeeld in Pakistan, Jemen en Somalië.

Inzet buiten erkende conflictgebieden staat op gespannen voet met het internationaal recht. Legitieme daden in een oorlog verworden in vredestijd immers tot executies zonder enige vorm van proces. Precies dat is waarom critici de Amerikaanse president Obama, onder wiens leiding droneaanvallen enorm toenamen, spottend de executioner-in-chief noemden.

Dan is er nog de transparantiekwestie. Drone oorlogen zijn tot op heden bijzonder schimmig gebleken, met maar weinig zicht op de gevolgen ervan. Burgerslachtoffers worden gemakkelijk verzwegen en (betrokkenheid bij) aanvallen worden soms niet eens erkend. Nederland heeft ook lange tijd betrokkenheid bij Amerikaanse drone aanvallen verzwegen. Specifiek gaat het om inlichtingen over Somalië – telefoondata – die gebruikt konden worden voor Amerikaanse luchtaanvallen. Het is illustratief dat deze betrokkenheid – waarvoor Amnesty International Nederland een tik op de vingers gaf – niet aan de Tweede Kamer werd gemeld. Het werd in 2014 wereldkundig gemaakt dankzij Edward Snowden, die informatie over de Amerikaanse geheime dienst NSA lekte.

Hawija

In afwezigheid van serieuze discussie en met de oorlog in Oekraïne als gelegenheidsargument is de kans aanzienlijk dat spoedig wordt besloten tot bewapening van de drones. Dit terwijl fundamentele vragen nog op antwoord wachten. Hoe voorkomt Nederland bijvoorbeeld dat het betrokken raakt bij burgerslachtoffers? Met het oog op de luchtaanval met een F-16-gevechtsvliegtuig in 2015 op Hawija in Irak, waar Nederland meer dan 85 burgers doodde (die jarenlang werden verzwegen), is deze vraag relevanter dan ooit.

Maar ook: waar zullen deze drones worden ingezet? Hoe wordt het gevaar afgewend dat met drones juist meer vijanden worden gecreëerd dan gedood? En hoe wordt voorkomen dat Nederland, dat nota bene als grondwettelijke taak heeft de internationale rechtsorde te bevorderen, juist betrokken raakt bij de ondermijning ervan? Voordat sprake kan zijn van bewapening, dienen dergelijke vragen beantwoord te worden.

Jip van Dort en Lauren Gould zijn beiden verbonden aan het Intimacies of Remote Warfare programma van de Universiteit Utrecht.

Lauren Gould.


 Beeld
Lauren Gould.
Jip van Dort. Beeld
Jip van Dort.
Meer over