Johan Fretz. Beeld Artur Krynicki
Johan Fretz.Beeld Artur Krynicki

Omdat ik weet hoe het is aan die andere kant van de kloof kan ik de luiken nooit helemaal dichtdoen

PlusJohan Fretz

Johan Fretz

In reactie op Barbara Baarsma’s voorstel om een persoonlijk verhandelbaar CO2-budget te introduceren, twitterde ik: ‘Het zou me niet moeten verbazen dat je aan best veel slimme mensen moet uitleggen waarom het diep vernederend is om als minderbedeelde je CO2-budget door te verkopen aan rijkere mensen, zodat zij kunnen vliegen en jij boodschappen kunt doen, en het verbaast me dan ook niet.’

Ik reageerde op de breed uitgedragen onwetendheid ten aanzien van armoede. De wereldvreemde overtuiging dat je een goede daad verricht wanneer je arme mensen wat extra geld toestopt, als voetbalhooligans die muntjes naar bedelaars gooien. En dan dus niet zozeer in trotse VVD-kringen, nee: het komt opvallend vaak juist van de mensen die zichzelf (gematigde) progressieven noemen, die ook heus vinden dat het allemaal een stuk socialer zou moeten.

Ik moest denken aan een essay van Volkskrant-journalist Nadia Ezzeroili uit 2016. Een citaat daaruit is me altijd bijgebleven: ‘Andere keren noem je ze juist Tokkies, van wie jij je lafhartig distantieert zodra ze te expliciet worden in hun aanvallen. De waarheid is dat die Tokkies meer dan jij mijn mensen zijn. Wij zijn met elkaar opgegroeid.’ Het was dat ene zinnetje: ‘Wij zijn met elkaar opgegroeid’.

Wanneer je het pad der sociale mobiliteit succesvol hebt bewandeld, bevind je je na verloop van tijd in andere kringen, tussen allemaal mensen voor wie een bestaan in de (hogere) middenklasse een vanzelfsprekende voortzetting is van het leven dat ze al kenden.

Voor mij is het anders. Ook mij gaat het voor de wind. Ik red me prima, inflatie of niet. Maar omdat ik weet hoe het is aan die andere kant van de kloof, omdat ik dat gevoel van de wanhoop en geldstress van vroeger nog immer kan oproepen, kan ik de luiken nooit helemaal dichtdoen. Gelukkig maar, want dat zou leiden tot misplaatste abstrahering en onverschilligheid.

Nee, ik kan en wil mezelf niet in slaap laten sussen door grafiekjes van econoom Peter Hein van Mulligen van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), die ook deze week weer postte: ruim 80 procent van de Nederlanders behoort tot de groep die het zich kan veroorloven te vliegen.

Klopt, zeker. Maar waarom uitgerekend nu deze grafiek posten en niet bijvoorbeeld de uitkomst van ander CBS-onderzoek, dat aantoont dat ongeveer een miljoen Nederlanders onder of rond de armoedegrens leven? Of het nieuws delen dat het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting waarschuwt dat een op de drie huishoudens (2,5 miljoen) worstelt om rond te komen? Of de tabel die aantoont dat armere mensen in Nederland onevenredig hard worden geraakt door deze crisis?

Kortom: waarom de terechte woede over beleid dat armoede creëert, in stand houdt en een radicale omslag tegenwerkt beantwoorden met geruststellend optimisme? Ook Sigrid Kaag zei laatst dat we domweg moeten accepteren dat we allemaal een stukje armer zullen worden.

Ik denk aan de mensen met wie ik ben opgegroeid en aan alle anderen die dreigen te verzuipen. Ik neem onze bestuurders het gebrek aan ervaringsdeskundigheid ten aanzien van armoede natuurlijk niet kwalijk. Maar hun hautaine onbereidwilligheid dat gebrek te erkennen en de hiaten van hun abstracte analyses en tabellen uit te dagen des te meer.

Johan Fretz is schrijver en theatermaker. Hij schrijft elke zaterdag een column voor Het Parool.