Femke van der Laan. Beeld Artur Krynicki
Femke van der Laan.Beeld Artur Krynicki

Nu weet hij het zeker. Hij vindt ijs niet lekker

PlusFemke van der Laan

Femke van der Laan

De jongste en ik zijn op weg naar de ijswinkel. Hij wil geen ijs, maar loopt toch mee. Om te sjouwen, had hij gezegd. “Handig,” had ik geantwoord. Terwijl het helemaal niet handig is. Ik loop sneller dan hij, neem grotere passen, breng de ­ijsjes naar huis voor ze smelten. Zeker nu het nog niet warm is buiten. Al helemaal in de avond. Handig.

We lopen naast elkaar, ik in hetzelfde tempo als hij. Hij heeft net verteld dat hij ijs niet lekker vindt, toch niet, dat hij lang dacht van wel, toch wel, elke keer weer, maar dan, tijdens het eten, toch weer niet. Nu weet hij het zeker. Hij vindt ijs niet lekker.

Ik kijk naar hem, naar zijn gezicht, naar zijn wang, die steeds een beetje opbolt door de bewegingen die de jongste maakt met zijn tong.

Gisteren is er een kies getrokken. De laatste melkkies. Hij zat in de weg. De volgende maakte al een tijdje zijn opwachting en was uiteindelijk begonnen aan een sluiproute door het tandvlees. De oude, de laatste, moest eruit. Toch wel, was er gezegd. Ik had gezien wat de tong van de jongste nu voelt, gezien hoe de kies loskwam van het tandvlees, dat begon te bloeden, gezien hoe er een gat achterbleef, een ruimte, voor de volgende, voor de nieuwe en ik had me afgevraagd waarom ik keek.

“Ik had dat met taart.”

Het bolletje in de wang verdwijnt. “Wat?”

Ik vertel hem dat ik ook heel lang dacht dat ik het lekker vond, taart, maar dan, ­tijdens het eten, toch niet en de volgende keer, van tevoren, toch weer wel, en dat steeds opnieuw, tot ik op een gegeven moment zeker wist dat ik niet van taart houd, dat ik het idee waarschijnlijk feestelijk vind of dat het woord fijn klinkt, taart, maar dat ik het niet lekker vind.

“Wanneer was dat?”

De jongste pakt mijn hand. Ik voel de ­toppen van zijn vingers, verder houd ik winterjas vast. Zijn mouwen zijn nog steeds te lang. Ik had verwacht dat hij sneller zou groeien. Dat gebeurde niet. Toch niet. Er beweegt weer iets in zijn wang.

“Nu.”

Zijn wenkbrauwen gaan omhoog, het bolletje in zijn wang staat stil. “Echt?”

“Ja.”

“Dan ben je niet snel.”

“Nee.”

In de ijswinkel vraag ik of hij het zeker weet. Hij knikt. Hij houdt niet van ijs. Ik niet van taart.

Op de weg terug lopen we weer naast elkaar. Ik in hetzelfde tempo als hij. Als we thuiskomen, plakken mijn vingers.

Femke van der Laan is journalist. Wekelijks schrijft ze een column voor Het Parool. Lees al haar columns hier terug.

Meer over