Nico Dijkshoorn. Beeld Artur Krynicki
Nico Dijkshoorn.Beeld Artur Krynicki

Na anderhalf jaar corona voelt verdwalen als een bevrijding

PlusNico Dijkshoorn

Nico Dijkshoorn

Gisterenavond verdwaalde ik in Breda. Het was prachtig. Ik begon er steeds meer plezier in te krijgen. Zeker weten dat ik, vlak om de hoek, die en die straat in zou lopen, maar daarna stond ik opeens stomverbaasd op een verlaten parkeerterrein. Ik besloot niet op mijn telefoon te kijken. Ik ging dit ouderwets oplossen.

Je weet niet wat je ziet als je verdwaalt. Ooit verdwaalde ik, samen met mijn dochter, in Lissabon. Uiteraard op de bekende manier. ‘Volg mij maar, ik ben hier eerder geweest. Daar rechtsaf en dan lopen we zo het centrum in.’ Minuten later het vertrouwde geluid: ‘Hier zat toch dat bakkertje? Vlak naast die garage?’ Lissabon werd steeds onheilspellender. Het was helemaal afgelopen met pittoreske deurtjes, oude vrouwen met een kat op hun schouder en tandeloze mannen met een visserspet op hun kop. We waren naar de achterkant van een ansichtkaart gelopen. Donkere straten, een luidkeelse ruzie op de derde verdieping, zes honden die met ons meeliepen en onverwachts gegil. Ik herinner mij die zoektocht als een van de fijnste momenten in Lissabon.

Het beste moment: ik kocht een stoffen konijn van 90 centimeter lang. Hij had een mouwloos jasje aan en droeg een leren broek. De verkoopster vroeg aan mijn dochter of ze er leuk papier omheen wilde. Ze wees naar mij. Niet mijn konijn. Van die oude gek naast me.

Samen met mijn dochter verdwalen in Breda zou nog fijner zijn geweest, maar het scheelde dat ik een gitaarkoffer bij me had. Dat gaf mijn zoektocht enige grandeur. Ik was, door die koffer, geen dementerende man met een pluk wit haar op zijn hoofd, maar een rasmuzikant die, midden in de zoveelste coronagolf, op zoek was naar zijn podium. Ik geef hier eerlijk toe dat ik ontzettend de zoekende muzikant heb lopen uithangen. Koffertje op straat zetten, wat stemoefeningen doen, de vingers bewegen en daar ging ik weer, kriskras door onbekende wijken.

Ik wilde niemand de weg vragen. Dit was goed. Al bijna anderhalf jaar zat ik in Leiden met een doodsbange actieradius van 1,2 kilometer. Precies de afstand tot de platenzaak. Dit voelde als een bevrijding. Eindelijk deed ik weer eens iets zonder te weten hoe het af zou lopen. Er kwam een meisje op mij af. Op zich al een feest. Ze begon te praten. ‘Ik zag u lopen en ik dacht, die zoekt iets. Kan ik u helpen? Ik ben van hier.’ Ik twijfelde. Met mijn rechterhand wierp ik een denkbeeldige bal over mijn schouder. ‘Ik ben van daar. Aangenaam.’

Nico Dijkshoorn schrijft wekelijks een column voor Het Parool en spreekt zijn bijdragen ook geregeld in.

Reageren? n.dijkshoorn@parool.nl.

Meer over