null Beeld Sjoukje Bierma
Beeld Sjoukje Bierma

Mijn vader en ik liepen een grote ronde om restaurant De Kas heen

PlusMaarten Moll

Maarten Moll

Altijd als ik langs Park Frankendael fiets, denk ik aan Nescio.

Nescio noteerde in zijn Natuurdagboek wanneer hij de eerste reigers weer in de bomen van dat park zag zitten. Maar het is ook het park waar ooit de stadskwekerij zat, en waar mijn vader examen deed voor het vak van hovenier.

Hij is nooit hovenier geworden, maar dat is een ander, en pijnlijk, verhaal.

Is het ook pijnlijk dat ik eerst aan Nescio denk, en dan pas aan mijn vader als ik langs Frankendael kom?

Onlangs was ik bij mijn ouders. Moeder met de pols in het gips.

“Twee breuken? Dat heb je niet verteld.”

“Ach, het was niets, ik struikelde toen ik een roos op wilde binden, en toen kwam ik op mijn pols terecht. Ik kon vanwege mijn knieën niet zelf meer opstaan. Toen dacht ik: ik blijf gewoon liggen tot er iemand langsloopt die me kan helpen. Maar er liep niemand langs. En toen ben ik zo op mijn bips naar binnen gehopt, door de keuken, de eerste treden van de trap op, en toen kon ik weer staan. Je vader lag boven te slapen en die wilde ik niet wakker maken.”

Vader, ook in de lappenmand, schudde zijn hoofd en nam me mee naar buiten. De baan – de oude jeu-de-boulesbaan – moest geschoffeld. Daar heeft hij zelf de kracht niet meer voor.

Stond ik opeens met een schoffel in mijn handen.

Mijn vader wees twee planten aan op de baan die ik beslist niet weg mocht schoffelen.

Ik had ze al voor onkruid aangezien.

En daar ging ik.

Als een razende dreef ik de schoffel in het zand, en dacht aan mijn vader.

Mijn vader is al heel lang niet meer in Amsterdam geweest. Hij durft het reizen niet meer aan. De laatste keer, een jaar of tien geleden, haalde ik hem met de auto op uit D. Als ik hem dan ’s avonds ook maar weer terugbracht, was het goed.

Hij wilde graag nog een keer naar Frankendael.

We liepen een grote ronde om restaurant De Kas heen.

Hij herkende de schoorsteen waar nu ooievaars nestelen.

Hij genoot. Ik dacht dat ik hem weemoedig zag denken aan de stadskwekerij, aan het examen dat hij hier had gedaan, maar dat kon ook verbeelding zijn.

Af en toe raakte hij het blad van een boom aan, rook hij aan een bloem.

Ik stopte even met schoffelen en wiste het zweet van mijn voorhoofd.

Ik keek om. Daar stond mijn vader aan het begin van de baan. Hij schudde zijn hoofd en lachte.

“Je moet de schoffel vlak houden. De schoffel doet het werk, niet jij.”

Ik stopte mijn hemd in mijn broek en ging verder. Diep uit mijn geheugen wist ik beelden van mijn schoffelende vader op te diepen. Dezelfde tuin, dezelfde plek.

Ik deed hem na. Het ging geweldig.

Ik werd mijn vader voor de duur van een schoffelbeurt.

Maarten Moll schrijft over dagelijkse beslommeringen in de stad. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? m.moll@parool.nl.

Meer over