Theodor Holman. Beeld Artur Krynicki
Theodor Holman.Beeld Artur Krynicki

Mijn twintigjarige moeder, in galop over de desa’s

PlusTheodor Holman

Theodor Holman

Het is overduidelijk een foto van mijn moeder. Indië, 1939. Ze is twintig jaar. Ze zit op een paard. Ze is gelukkig.

Mijn zuster stuurde de foto op. Er zijn nauwelijks foto’s van mijn ouders uit Indië. Deze is gered doordat mijn moeder hem naar haar ouders in Amsterdam stuurde.

Uit brieven is bekend dat ze genoot van Indië. De vrijheid, het koloniale bestaan, ze gaf les aan wat kinderen. Ook balletles, wat maar vreemd werd gevonden. Drie jaar later veranderde het geluk. Mijn vader moest zich melden bij de Japanners. Vier jaar later zat ze zelf in een kamp, met een kind van een paar weken.

Op oude foto’s zoek ik vaak naar het geluk van mijn ouders. Het is niet dat ze op de na-oorlogse prenten niet lachen – op die foto’s doet vooral mijn vader vaak gek – maar ik weet dat hun lachen ‘gemaakt’ is, om de fotograaf en later de kijker een plezier te doen.
“Say cheese!”
Ze zeiden cheese.

De vraag ‘Waren mijn ouders later gelukkig met mij?’ durf ik mezelf nauwelijks te stellen. Ik vermoed dat ze gelukkig met me waren en ik merkte het, omdat ze mij verwenden – meer dan ze mijn broer en zus verwenden.

Ik was een nakomertje in de jaren vijftig van de vorige eeuw, toen het beter ging met Nederland. Mijn vader begon folders van auto’s te verzamelen; ik hoefde steeds minder vaak de oude kleren van mijn zes jaar oudere broer aan.

Geluk was alleen niet meer vanzelfsprekend. Het was er wel, maar vaak gespeeld. Als er anderen bij waren. Binnenskamers was de sfeer soms van een toneelstuk waarin de acteurs de verkeerde zinnen declameerden, of de juiste zinnen op verkeerde toon.

Maar zie mijn twintigjarige moeder eens op dat paard zitten!
Een trots meisje. Wat zal mijn vader toen haar trotse echtgenoot zijn geweest.
Geluk heeft de vervelende eigenschap dat het ’t fraaie landschap is dat achter je ligt.

Op dat paard galoppeerde mijn moeder – zo stel ik mij voor – door de desa’s en over de heuvels en langs de paden, gevolgd door kaketoes, geelduiven en tokehs; een ama­zone met blote benen in shorts, zoals zij steevast een korte broek noemde, en kokette schoentjes in de beugels.

Ze was pas getrouwd, nog verliefd en bijna zwanger. Alles wat geluk was, viel daar samen. Maar zoals gezegd besefte ze dat later, toen het paradijs onbereikbaar was geworden.

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? t.holman@parool.nl.

Meer over