Natascha van Weezel. Beeld Artur Krynicki
Natascha van Weezel.Beeld Artur Krynicki

Ik woon weer in de Rivierenbuurt. Mijn familie van voor de oorlog voelt dichterbij dan ooit

PlusNatascha van Weezel

Natascha van Weezel

Sinds een paar dagen woon ik in de Rivierenbuurt. Opnieuw moet ik eigenlijk zeggen, want hier groeide ik op. Als kind zwom ik in het pierenbadje in het Beatrixpark en at ik ijsjes bij Venetië in de Scheldestraat. Later blowde ik stiekem in een nisje aan de Churchilllaan en dronk ik mijn eerste wijntjes bij Café de Overkant.

Het is een zonnige dag en ik maak een wandeling door mijn oude, nieuwe wijk. Veel schattige buurtwinkeltjes zijn ondertussen vervangen door chique boutiques en hippe koffietentjes. Ook zie ik veel jonge ouders met dure kinderwagens van het merk Bugaboo. Toen ik klein was, woonden hier nauwelijks andere kinderen.

De architectuur is nog wel even mooi als ik me herinner. Ik vergaap me aan de gevels die zijn ontworpen door Berlage. Daarom heb ik in eerste instantie niet door dat ik op een klein, messing steentje ga staan. Ik merk het alleen doordat de structuur glibberig aanvoelt onder mijn schoenenzolen. Ik zet een stap opzij en lees:

Hier woonde
Emmanuel Bamberger
Geb. 1910
Vermoord 31-8-1944
Gleiwitz

Het is een struikelsteen. De Duitse kunstenaar Gunter Demnig bedacht dit project om slachtoffers van het nationaalsocialisme te herdenken. De stenen liggen bij het laatste adres waar zij voor de oorlog woonden. Voor het eerst valt het me op hoeveel struikelstenen er in de nabije omgeving liggen. Niet zo gek: in 1940 woonden er 17.000 Joden in de Rivierenbuurt. Van hen overleefden slechts 4000 de oorlog.

In de Jekerstraat kom ik langs stenen met allerlei namen: Andries en Regina Fransman, Meijer en Clara Cohen de Lara, Emile en Marianne Leeraar. Terwijl ik fantaseer over hun te korte levens, loop ik verder. Mijn benen leiden me automatisch naar de Biesboschstraat. Daar woonde mijn oma in háár jeugd. Gelukkig overleefde zij de oorlog. Zíj wel.

Ik heb plotseling haast en ren langs de slager waar ik als meisje altijd plakjes worst kreeg.

In de Roerstraat houd ik halt bij nummer 36. Een oudere vrouw zit op de grond. Ze heeft een doek met koperpoets in haar hand. Ik schuifel dichterbij en zie dat ze de steentjes van Hartog Blitz en Veronica Blitz-Lopes Dias voorzichtig schoonmaakt. Het ontroert me dat een wildvreemde vrouw zich tachtig jaar na de oorlog over deze steentjes ontfermt. Hartog en Veronica waren de broer en de schoonzus van mijn oma. Ze werden vermoord in Auschwitz.

Wanneer je goed kijkt, vind je in deze buurt overal herinneringen aan de oorlog. Als kind wist ik dat niet – of waarschijnlijk wílde ik het niet weten. Nu ik dit wel weet, voelt het extra bijzonder. Ik woon (weer) in de wijk waar een groot deel van mijn familie voor de oorlog leefde. En hoewel ik de meesten helaas nooit heb kunnen leren kennen, voelen ze vandaag dichterbij dan ooit.

Natascha van Weezel (1986) is journalist. Elke maandag schrijft ze een column voor Het Parool.

Reageren? natascha@parool.nl.

Meer over