Maarten Moll. Beeld Sjoukje Bierma
Maarten Moll.Beeld Sjoukje Bierma

Ik voel me James Stewart, alleen zonder gebroken been en zonder moord

PlusMaarten Moll

Maarten Moll

Er was zout gestrooid. Ik zat met angst en beven uit het raam te kijken.

Sinds twee weken is er hier in huis van werkplek gewisseld. Schijnt goed te zijn. M. zit nu in de keuken, en ik in de woonkamer. Aan een bureautje bij het raam. Met uitzicht op het verzorgingstehuis hiertegenover. Waar op de stoep dus zout was gestrooid.

Het werkt enorm afleidend.

Steeds vliegen je ogen van links naar rechts en weer terug. Om te zien of er nog iets gebeurt daar.

Ik voel me James Stewart met zijn gebroken been in Rear Window. Alleen zonder gebroken been, en ik heb tot nu toe ook niet het idee dat er iemand achter een van de ramen is vermoord.

Af en toe zie je wat bewegen. Komt er iemand van de verpleging naar buiten geschuifeld met een bewoner aan de arm. Staat er iemand te roken, staan ze te wachten op de busjes van Cordaan.

Geen spectaculair uitzicht, wel een decor waarin je op een dag zelf kunt worden bespied.

Mijn voorland.

Dat doet dit uitzicht al na twee weken met me. Dat ik mezelf daar uit die deur zie komen, ondersteund door een verpleger. Voetje voor voetje, bang om uit te glijden op de gladde stoep waar kilo’s zout zijn gestrooid.

En vervolgens, nu loop ik enorm op de zaken vooruit, glijd ik toch uit, breek ik mijn heup, word ik geopereerd, beland ik in het revalidatiecentrum, waar het niet wil vlotten en er een infectie wordt geconstateerd, zodat ik hup weer terug naar het ziekenhuis word gebracht, en ik op die kamer, met een praatgrage Jordanees en een snurkkampioen uit Oost-Groningen vervolgens de seizoenen zie voorbijgaan, zonder ooit nog in de recreatieruimte van het verzorgingstehuis mijn pudding aan die aardige dame van kamer 213 te geven.

En mijn kinderen? Mijn kinderen? Denkt u dat die een lastige, bedlegerige, incontinente oude man in huis willen? Ze komen een keer per week langs met de kleinkinderen, die al na twee minuten dodelijk verveeld zijn en in de gang met krukken en een rondslingerende telefoon gaan hockeyen tot er iets sneuvelt en ze door een ziekenhuisbeveiliger lachend buiten worden gezet, achtervolgd door hun excuses mompelende ouders die me niet eens fatsoenlijk gedag hebben gezegd.

En dan is het met me gedaan, hè, want ik zal nooit meer die ziekenhuiskamer uitkomen dan tussen zes planken. Daar had mijn opa het altijd over, over die zes planken. “Mijn laatste huis is er een van zes plankjes,” zei hij. Gevolgd door een bulderende lach. “En geen eikenhout! Als je dat maar laat, dat knettert me te hard.”

Daarom hebben we de bank gisteren met de rug naar het raam gedraaid, zodat we niet ook ’s avonds naar de overkant hoeven te kijken waar, je zult het net zien, deze dagen achter de ramen vast iets gruwelijks gebeurt.

Maarten Moll schrijft over dagelijkse beslommeringen in de stad. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? m.moll@parool.nl

Meer over