Maarten Moll. Beeld Sjoukje Bierma
Maarten Moll.Beeld Sjoukje Bierma

Ik nam het aangereden vogeltje in mijn handen

PlusMaarten Moll

Vlak bij de Jaap Edenbaan stond een meisje van een jaar of acht, negen, midden op het fietspad. Fietsje tussen haar benen.

Ze huilde en wees.

“Wat is er nou?” riep haar moeder, die een paar meter verder was gestopt. “We zijn al laat!”

Op het fietspad lag een hoopje zwart.

Een langsrijdende scooter blies leven in het bergje. Er bewogen wat veren.

“Voohoogeltje!”

Ik kwam wat dichterbij, Bep met me meetrekkend.

Fietsers reden keurig om het vogeltje heen zonder ook maar ergens acht op te slaan.

“Nergens heen gaan,” zei ik tegen Bep en ik liet de riem los.

Ik liep het fietspad op, nam het aangereden vogeltje in mijn handen. Het zag er niet best uit voor wat ik dacht dat een jonge meerkoet was. Maar ik voelde nog wel wat leven onder de veren.

“Is hij doohood?” wilde het meisje weten.

Voorzichtig legde ik het vogeltje in de struiken tussen het fietspad en de sloot.

Het was vlak bij de plek waar ik jaren eerder een duif had doodgereden.

Vermoord, aldus mijn dochters, die achter me fietsten.

De duif liep op het fietspad. Met zijn achterste naar me toe.

Ik belde, maar de duif ging niet aan de kant.

Ik belde nog een keer, op een paar meter afstand van de duif.

De duif bewoog naar rechts, zodat ik er links langs kon.

Netjes, duif, dacht ik nog.

Toen besloot de duif toch anders.

Terwijl ik al naar links ging, ging de duif plotseling ook naar links. Alsof ie een schijnbeweging aan het oefenen was.

Domme duif.

Ik kon niet meer uitwijken.

Onder mijn voorwiel.

Krak, hoorde ik.

Maar ook mijn dochters hoorden dat.

“Je had er nog makkelijk langs gekund,” zeiden ze

’s avonds aan tafel.

“Hij maakt een hele slechte schijnbeweging!” verdedigde ik me.

De meiden zwegen me de rest van de avond dood.

Ik keek nog even naar het vogeltje in de struiken en liep terug. Het meisje, haar moeder was intussen naast haar komen staan, keek me al snotterend hoopvol aan.

Ik wist wat er ging komen.

Moeilijke vragen. Of het vogeltje zijn moeder wel weer zou zien, of als hij wakker zou worden, hij de weg naar huis nog wel zou weten.

“Het vogeltje leeft nog,” zei ik. “Hij moet alleen even rusten.”

“Nou, gelukkig,” zei de moeder. “Ga je nu mee?”

Toen zei ik iets wat ik beter niet had kunnen zeggen.

“Hij keek vast niet goed uit bij het oversteken.”

Het hoofd van het meisje kwam met een ruk omhoog.

Op haar gezicht maakte smart plaats voor woede.

“Waarom keek hij niet uit bij het oversteken? Dat moet ik toch ook van jou, mama, als ik moet oversteken moet ik toch ook uitkijken? Stomme vogel.”

En ze stapte op en fietste weg.

De mond van de moeder bleef een tijdje openstaan.

“Mam, kom je?” riep het meisje.

Toen ik een half uur later weer langs de plek kwam, keek ik even in de struiken.

Het vogeltje was verdwenen, wat volgens mij een goed teken was.

Maarten Moll schrijft over dagelijkse beslommeringen in de stad. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? m.moll@parool.nl

Meer over