Maarten Moll. Beeld Sjoukje Bierma
Maarten Moll.Beeld Sjoukje Bierma

Ik kwam niemand tegen om na de vraag ‘wat heb jij nou weer gedaan?’ uitleg te geven

PlusMaarten Moll

Maarten Moll

Na een schitterend bezoek aan mijn vriend S. in de stad Haarlem viel ik nog voor twaalven thuis op de bank in slaap.

Dat is meestal niet erg, maar nu wel.

Ik had mijn contactlenzen nog in. (Ik hoop nu op herkenning.)

Toen ik om een uur of half vier in de nacht wakker schoot uit een droom - S. en ik, met een voet in een schaal haring, stonden op tafel en zongen liederen van Dwight Yoakam en Steve Earle - was het al te laat.

Pijnscheuten.

De lens in mijn rechteroog had zich muurvast aan mijn oogbol gehecht (ik had ze al moeten vervangen). Het oogwit rondom had al een kleur aangenomen tussen roze en rood. (Die kleur is te vinden op Rothko’s doek No. 16 uit 1957. Of op een verwassen theedoek van de Hema in het keukenkastje.)

Na veel plukken kreeg ik het ding eruit, ook de linker lens die zich blijkbaar wel senang had gevoeld in het dichte oog, deed ze in het badje met voldoende zwemwater en ging slapen.

De schilder had, zo zag ik zeer laat in de ochtend na het ontwaken in de badkamerspiegel, de verdere nacht en ochtend genomen om al het oogwit in een fraai rood te verven. (Het ‘bloeddoorlopen’ uit de misdaadverhalen van Mickey Spillane.)

Het deed zeer.

Ging vanzelf over.

Wel een dag in het hol blijven.

Luxaflex overal naar beneden, niet in de lampen kijken.

Lezen ging niet zo goed. Te inspannend. Na een alineaatje over het vullen van een patisson, ik wist ook niet wat dat was, hield ik er mee op.

Ik zette de cd op die Steve Earle had gemaakt na de dood van zijn zoon J.T.

Het zou zo’n verloren, wat desolate zondag worden die we allemaal wel hebben meegemaakt. Niet in staat om veel te doen, landerig, humeurig om het een of ander, nog behept met een fikse kater, of gewoon nergens zin in. Zelfs niet om de was op te vouwen.

Rotweer bovendien.

Alleen scheen nu de zon, die ik dus angstvallig buiten hield.

Gelukkig was het Super Sunday, en veel voetbal op tv. Dat ging nog net.

In de schemering, toen Liverpool al met 5-0 voorstond tegen Man United, ging ik snel naar de supermarkt. Met de uit elkaar vallende bril, het is ook altijd het rechterglas dat eruit kukelt, op mijn neus.

Ik kwam niemand tegen om na de vraag ‘wat heb jij nou weer gedaan?’ uitleg te geven over mijn vuurrode oog. Dus kon ik ook niet stoer en bijdehand zeggen: “Die ander stond niet meer op.”

Ik vond blind mijn boodschappen in de schappen en in het donker fietste ik weer naar huis.

Graag had ik het prachtige De zondagen van Jean Dézert herlezen, de korte roman van Jean de la Ville de Mirmont over de uitzichtloosheid van het leven, maar mijn arme oog kon dat nog steeds niet aan.

Maarten Moll schrijft over dagelijkse beslommeringen in de stad. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? m.moll@parool.nl

Meer over