null

Parool Columnfestival

‘Ik ben te zwart om wit te zijn. En te wit om zwart te zijn. Waarom zijn deze termen er?’

Beeld Getty Images/EyeEm

Wat houdt Amsterdamse tieners bezig? Zeven weken lang delen veertien middelbare scholieren in het kader van het Parool Columnfestival in zelfgeschreven columns hun gedachten.

Ik ben te zwart om wit te zijn. En te wit om zwart te zijn - ik hoor nergens bij. Ik voel me verplicht me ergens door geraakt te voelen, want ik ben zwart. Tegelijkertijd vind ik dat ik het veel minder zwaar heb, want ik ben wit.

Ik ben te zwart om wit te zijn. En te wit om zwart te zijn. Ik ben de kleur ertussenin. Grijs, zou je kunnen zeggen. Grijs, de kleur die net geen wit is. En net geen zwart is.

Ik ben te zwart om wit te zijn. En te wit om zwart te zijn. Ik ben de kleur ertussenin. Ik ben de regenboog met haar prachtige kleuren. De regenboog heeft geen zwart. En ook geen wit.

Ik ben te zwart om wit te zijn. En te wit om zwart te zijn. Waarom zijn deze termen er? Waarom moet alles zo in hokjes geplaatst worden? Waarom kan ik niet gewoon Silver zijn?

Ik ben huidskleur. Net als ieder ander mens op de wereld. Ik ben niet te zwart om wit te zijn. En ook niet te wit om zwart te zijn. Ik ben gewoon mezelf.

Ik ben gewoon Silver.
Silver van Ledden Hulsebosch, de Vinse School, 3 vwo

Silver. Beeld
Silver.

‘Onze genen, mijn ogen, dat liedje’

Ik had dagen van tevoren alles gepland. Wat ik aan zou doen, wat mijn traktatie zou zijn, hoe ik mijn haar ging doen. Iedereen moest kunnen zien dat ik jarig was. Op school werd ik toegezongen. Eerst in het Nederlands, daarna in het Engels, toen in het Frans en uiteindelijk in het ‘Chinees’. Nou ja Chinees, ‘hankie pankie shanghai’ dan.

Ik besefte toen nog niet dat ik niet honderd procent Nederlands ben en dat dat een ding is. Mijn vader komt uit Indonesië met een Chinese achtergrond, maar zoals mensen vaak tegen mij hebben gezegd, lijk ik meer op mijn moeder. Ik heb niet alle ‘typische’ Aziatische gelaatstrekken. Het ‘hankie pankie shanghai’ terwijl er met vingers spleetogen werden getrokken, sprak mij dan ook nooit persoonlijk aan. Ik zong ieder woord vrolijk mee.

Maar juist omdat ik dus een halfbloedje ben, ken ik beide kanten van het verhaal. Zo werd er aan mijn Nederlandse moeder gevraagd of mijn zusje geadopteerd was en werd mijn vader nageroepen met ching chong chang. Ik heb ‘gelukkig’ niet de ‘typische’ Aziatische spleetogen, terwijl mijn zusje deze wel heeft. Mijn ogen werden niet nagedaan, terwijl kinderen die van haar lachend nabootsten. Ik vraag me af of ik anders behandeld was, als mijn vaders genen sterker bij mij naar voren waren gekomen.

Deze vraag kwam natuurlijk nog sterker naar voren toen onze lievelingspandemie de wereld in zijn greep kreeg. Aziaten kregen de schuld van corona, en ik hoorde hier in Nederland allerlei opmerkingen over dat ‘het de schuld van de Chinezen was’ of ‘dat ze die vleermuis etende ­Chinezen echt moesten vermijden’.

En het pijnlijke was: met Chinezen doelden ze meteen op iedereen die een Aziatische achtergrond had. Dit ging gelukkig gepaard met een golf van aandacht voor Aziatenhaat, maar of er nou een hele wereldcrisis voor nodig was om dat ter sprake te brengen, vraag ik me af.

Dat liedje. Ik hoop dat het niet meer gezongen wordt op basisscholen. Ik hoop dat kinderen niet meer hun vingers gebruiken om spleetogen te trekken en dat ze elkaar niet langer poepchinees noemen. Ik hoop dat mijn vader over straat kan lopen zonder ching chang chong achter zich aan geroepen te krijgen. Want mensen met een Aziatische achtergrond worden in Nederland nog steeds gediscrimineerd, en niet iedereen is zich daarvan bewust. Terwijl dat onderhand echt wel zo zou moeten zijn.
Charlotte ­Widijanto, Barlaeus Gymnasium, klas 4

Charlotte Widijanto. Beeld
Charlotte Widijanto.

‘Ik zie enkel positieve dingen als ik denk aan de toekomst, het denken en ­dromen voelt zo vrij’

Het heden is niet mijn verleden, maar mijn toekomst. Een belangrijk moment, wat ook weer niet één moment is.

Gek genoeg kan je toekomst zo lang duren als je wilt. Wat ga ik later doen, hoe kom ik daar? Duizenden vragen die dwalen door mijn o zo kleine, jonge hersenen. En toch is het iets wat mij bezighoudt.

Soms zou ik zelfs denken dat ik een beetje autistisch ben, aangezien ik alles gepland wil hebben en ook alles wil zoals ik het in gedachten had. Niks mag fout gaan. Daarom neem ik de tijd en de weg naar mijn toekomst heel serieus.

Ik kan me niet voorstellen hoe gek het zou zijn als ik daar niet mee bezig was. Het is dan alsof ik een boot zonder stuurman laat varen over hoge golven – waarin ik mezelf zie als die varende boot zonder stuurman over de hoge golven, midden op de zee. En ik ben bang voor de zee.

Op een of andere manier zie ik enkel positieve dingen als ik denk aan de toekomst. Puur vanwege de kansen. Het denken en ­dromen voelt zo vrij. Ik kan bereiken wat ik wil, denk ik dan.
Romayssae El Hamrani, Open School­gemeenschap Bijlmer, 3 vmbo

Romayssae El Hamrani. Beeld
Romayssae El Hamrani.

‘Ik heb mijn koffer weggegooid en de herinneringen die ik op mijn schouders droeg ook’

Ik stond voor mijn middelbare school met een koffer. Ik keek naar het raam van mijn klas in dat grote gebouw en ik wist het: het was de laatste keer dat ik het zou zien.

Zonder afscheid te nemen trok ik mijn grote koffer voort.

Het was een keerpunt, dat besefte ik toen ik mijn moeder hoorde huilen toen we bij mijn tantes huisdeur kwamen. Een open deur met te veel stilte was het.

Mijn moeder, ik, mijn vader, mijn zus en mijn neven stroomden naar binnen om te zien of er iemand binnen was. Gelukkig niet.

Ik liep de woonkamer binnen, die geen muren meer had. We hadden de deur niet hoeven gebruiken om binnen te komen. We zouden daar schuilen in de kelder en moesten terug toen we de gevechtsvliegtuigen weer hoorden opstijgen. Het was een heel lange tocht.

Bloed overal op de stoepen, een spookstad en de angst die mij van de binnenkant opat. Het was een heel warme dag. De zomer was nooit mijn lievelingsseizoen.

Ik krijg af en toe flashbacks van alles wat ik heb meegemaakt. Het voelt als een film die ik heel slaperig heb gekeken, maar waarvan ik me toch alle details herinner. De verwarring in mijn vaders ogen, mijn moeders paniek en verdriet die ze probeerde te verbergen, ik kan ze nog steeds duidelijk zien als ik mijn ogen dicht doe. Niemand wist toen wat ons te wachten stond.

Ik zei altijd dat het het begin van het einde was. Ik voelde dat alles wat ik wilde, wat ik droomde en al mijn plannen vernietigd waren. Weer wakker worden om weer die koffer te vullen was veel te moeilijk, die verdomde koffer!

We kwamen naar Nederland. De zon begon weer te schijnen, maar ik en de zon zijn nooit goed bevriend geweest.

Na een tijdje heb ik een kast gekocht voor in ons nieuwe huis. Ik heb mijn koffer weggegooid en de herinneringen die ik op mijn schouders droeg ook. Ik heb Q. ontmoet en met hem begon ik weer te beseffen hoe mooi en puur leven kan zijn.

Hij heeft mij weer leren dromen, zonder dat hij het weet. Ik werd voor het eerst in mijn leven enthousiast voor de zomer, voor wat we samen konden doen.

Q. gaf mij de zon en het besef dat het gewoon het einde voor het begin was, niet het begin van het einde.
Raghad Ayoub, Metis Montessori Lyceum, 4 havo

Raghad Ayoub. Beeld
Raghad Ayoub.

‘Mijn taal heeft geen woord voor mij, dus ben ik niets’

Ik word gezien als de perfecte tiener. Ik drink niet, ik rook niet, ik heb geen vriend en gelukkig ook al geen vriendin. Ik luister naar de leraar en doe mijn best op school. Ik hou van lezen en kleed mij netjes.

Maar zo simpel is het niet. Ik drink en rook niet, uit angst voor mijn depressie. Ik ben al vier jaar depressief of heb depressie – hoe je het ook noemt, het gevoel blijft hetzelfde.

Sommige dagen kan ik amper met vreemden praten en soms zelf niet eens met mijn beste vrienden. Ik heb nooit een fatsoenlijke vader gehad, hoe graag vier verschillende mannen die rol ook wilden vervullen.

Überhaupt kan ik niet met mannen omgaan, want ik heb als ’vrouw’ geleerd dat ik nooit veilig ben en kan zijn. Daarnaast is ‘vrouw’ niet een woord dat bij mij past, maar ‘man’ al helemaal niet. Mijn taal heeft geen woord voor mij, dus ben ik niets.

Buiten gender heb je ook nog seksualiteit. Als ik erover begin, nemen mensen meteen aan dat ik lesbisch ben, maar dat is niet zo. Mijn gender en seksualiteit worden in een hokje gestopt, voordat ik zelf weet wat het is. En hoe vervelend het ook is dat labels voor alles noodzakelijk lijken te zijn, is er comfort te vinden in deze vorm.

Dit en alle andere positieve en negatieve dingen maken mij tot mij. De mooie en de lelijke delen, de dingen die ik niet had moeten meemaken en de dingen waar ik niet zonder kan. Misschien zijn die twee dingen wel hetzelfde. In ieder geval maakt het mij een radio van diversiteit.
Rosa Lena Schmidt, 5 vwo De Vinse School

Rosa Lena Schmidt. Beeld
Rosa Lena Schmidt.

‘U heeft 12 uur om het volledige bedrag te betalen’

‘Klik hier om een iPhone 12 te winnen.’ Tja, en daar zat ik dan in de ict-winkel.

Het leek zo onschuldig. Ze vroegen me enkel om een nieuwe game uit te proberen, die ik uiteraard eerst moest downloaden. Ik uitproberen en gek genoeg begon ik het spel zo leuk te vinden, dat ik maar bleef spelen. Ik deed wel een half uur over alleen level 1. Ik was zo blij: kans om een iPhone 12 te winnen én een leuk spel.

‘Eindelijk level 2’ dacht ik bij mezelf, maar zodra ik op het next level icoontje klikte, was het alsof mijn computer uitviel en herstartte hij opeens.

Op mijn bureaublad verschenen allemaal mapjes met ‘Open mij’ en als achtergrond een angstaanjagende clown. Hmm, zou dit niet een stom grapje zijn? Er was 1 opvallend mapje met een bestand waarop ik moest klikken. Alles werd zwart en er kwam een melding op mijn beeldscherm.

U heeft 12 uur om het volledige bedrag te betalen, anders zullen al uw bestanden permanent verwijderd worden.

Onder het bericht stond een timer van twaalf uur en een rekeningnummer waar 65 euro naar opgestuurd moest worden.

Belachelijk, dacht ik bij mezelf. Ik startte mijn computer opnieuw op, met de hoop dat het dan verdwenen zou zijn, maar nee hoor. Ik sloot hem af en ging naar een afspraak.

Eenmaal weer thuis had ik nog maar vijf uur. Niks hielp, maar het bedrag van 65 euro overmaken gaat ook niet helpen, dacht ik. Wat nou als het dan nog steeds blijft? Ik gaf de hoop op en ging naar de ict-winkel twee straten verderop. Hier vertelden ze me dat het probleem niet te fixen is en dat ik beter een nieuwe computer kon gaan kopen.

Klik, boem, virus.
Nour Achgare, 3 vmbo Open School­gemeenschap Bijlmer

Nour Achgare. Beeld
Nour Achgare.

Geluk waarvan ik hoopte dat het eindeloos zou duren

Elke week een ziekenhuisbezoek. Je zo vaak mogelijk zien, want we weten nooit wanneer de laatste keer gaat zijn. Een nachtmerrie; het gevoel hebben dat je binnenkort je beste vriendin kan verliezen, maar een droom die uitkomt, wanneer je hoort dat ze een nieuwe lever krijgt.

Er is weer licht aan het einde van de tunnel. Een tunnel die voor zo lang donker was. Horen dat de operatie goed ging en je nu eindelijk weer je leven kan leven. Het is voorbij, dat eindeloze verdriet. Jou eindelijk weer zien lopen, rennen en lachen. Dat geluk in je ogen, waarvan ik bang was dat ik het nooit meer zou zien. Geluk waarvan ik hoopte dat het eindeloos zou duren. Het geluk dat niet eindeloos duurde.

Toen kwam de dag waarvan ik hoopte dat die nooit meer zou komen. Het belletje waarin jij mij vertelt dat de kanker weer terug is. En nu erger dan ooit. Het is niet meer te behandelen en het enige wat wij nu nog kunnen doen, is hopen. Hopen dat er iets magisch gebeurt.

De dokters willen er een tijd aan geven. Twee maanden is wat ze zeggen. Twee maanden is wat jij moet vertellen aan je vrienden en familie. Van iedereen het verdriet in hun ogen zien en de stilte die je krijgt, wanneer je het hebt verteld. Het niet weten wat ik moest zeggen deed pijn. ‘Het komt goed’ is niet wat je wilt horen. Want we weten niet of het goed komt.

Niet laten weten hoe erg ik het vind, want jij bent niet degene die mij zou moeten troosten.

Ik ga er voor jou zijn en het er voor je zijn is het enige wat ik kan doen. Er voor je zijn tot het laatste moment en hopen dat het leven tot het laatste moment nog heel lang duurt.
Rosie Luch­singer, 4 havo Gerrit van der Veen College

Rosie Luchsinger. Beeld
Rosie Luchsinger.

Drie keer het magazijn in voor aardbeiensiroop

Het is weer zover: tijd om naar werk te gaan. Ik zet mijn fiets op slot en loop de Albert Heijn binnen.

Ik loop door het magazijn, naar de personeelskamer. Ik trek mijn jasje aan en loop het magazijn weer in. Ik pak een kar, vol met allerlei soorten frisdrank, uit het magazijn. Ik moet frisdrank vullen, wat ik al een jaar lang doe, dag in en dag uit.

Ik ben net drie minuten bezig met het vullen, wanneer een man in een felrode jas mij aanspreekt. “Pardon, ik zie dat het vak leeg is, kunt u misschien kijken of deze siroop nog ergens achter ligt?” Hij wijst naar een etiket op de vijfde plank. “Natuurlijk, meneer. Ik zal voor u kijken.”

Ik loop het magazijn in en ga op zoek naar de aardbeiensiroop, maar na twee minuten geef ik het op. Ik kan het nergens vinden. Ik loop terug de winkel in en vertel de man in de felrode jas, dat ik de aardbeiensiroop van het merk KC nergens kan vinden. “Misschien kunt u één van de andere merken kiezen.”

Ik werp een snelle blik op de drie meter lange wand vol verschillende soorten siroop. Waarop de man reageert met: “Kun je misschien kijken wanneer mijn siroop weer in de winkel is?”

Ik verdwijn het magazijn weer in pak een terminal. Ik loop de winkel weer in en scan het etiket van het lege vak siroop en krijg de melding dat de leveringsdatum nog onbekend is.

Ik bied de man in de felrode jas mijn excuses aan, maar hij is nog niet klaar. “Wil je je team­leider er even bij halen?”

Voor de derde keer ga ik het magazijn in en ik vertel mijn teamleider dat er een klant enorm aan het zeuren is.

Samen stappen we de winkel binnen. Ik werp een snel knikje naar rechts, waar de man in de felrode jas staat. “Oh deze gozer weer, wat een klootzak. Deze man is altijd aan het zeiken.”

Ik moet lachen en wens hem succes. Er zijn ondertussen al vijftien minuten verstreken. Een paar seconden later sta ik weer bij de drie meter lange wand vol met flessen siroop en ik denk bij mezelf, waarom doe je zo moeilijk over een flesje aardbeiensiroop?
Luuk van Laar, 5 vwo Pieter Nieuwland College

Luuk van Laar. Beeld
Luuk van Laar.

Corona of niet, mensen houden hun vaste behoeftes.

Wanneer ik dit schrijf is het precies een jaar geleden dat ik voor het eerst uit huis werd gezet. Sindsdien ben ik twee keer uit huis gezet en ben ik één keer zelf weggegaan, omdat ik het gevoel had dat ik stikte.

Vroeger dacht ik: ‘Kijk, nu gebeuren er veel nare dingen, maar vanwege een soort kosmische weegschaal, een gelijkheid, komt er vanaf nu alleen nog maar goeds op mijn pad.’ Hoe fout ik het wel niet had. Als je aan één kant gewicht legt, raakt de schaal echt niet magisch weer in evenwicht.

Er is een spreekwoord: je buigt óf je breekt. Ik ben misschien wel volledig gebroken, maar één ding weet ik zeker: nooit, en dan ook echt nooit, heb ik gebogen. Net nog, fiets ik langs een klasgenote, en heb ik het gevoel dat ik iets moet zeggen. Mijn innerlijke stem zegt: ‘Je gaat toch wat stoms zeggen, zet jezelf niet voor schut.’ En ik voel mijn buik samentrekken en mijn mond droog worden.

“Ga jij ook naar huis vanwege het tussenuur?” vraag ik, zo normaal als ik kan.
“Ja.” Ze glimlacht naar me. “Aardrijkskunde valt uit.”
De splitsing komt eraan.
“Aight, later,” zeg ik.
Een van haar vriendinnen die op de stoep loopt, lacht.

“Told you so, sukkel,” zegt mijn brein, en ik fiets zo snel mogelijk weg.

Natuurlijk ben ik een sukkel, een heel grote sukkel zelfs. Wie zegt nou zoiets?

Maar weet je wat? Ik had ook niks kunnen zeggen, ik had kunnen luisteren naar dat stemmetje in mijn hoofd en hoe had dat eruit gezien? Nog sukkeliger, stel ik me voor. Ik ben een sukkel, maar wel een moedige sukkel, omdat ik blijf proberen.

Er wordt gezegd: hij/zij die zelf door traumatische gebeurtenissen is gegaan, maar ervoor kiest om zijn/haar verdriet niet op anderen af te reageren, laat zien dat zijn moed groter is dan zijn angst. Oftewel: zolang je mensen niet loopt af te zeiken om jezelf beter te voelen, dan doe je het al een stuk beter dan de meesten.

Iedereen zegt altijd maar dat je moet helen, maar misschien is de dag, en de volgende dag, en de volgende, ook al meer dan genoeg. En ooit, dan wordt het beter.
Luc Nelstein, 5 vwo Hervormd Lyceum Zuid

Luc Nelstein. Beeld
Luc Nelstein.

‘Gebruik je pijn niet als excuus’

Verdriet en woede worden wakker wanneer ik aan mijn vader denk. Een man uit wie ik deels ben ontstaan, maar toch dezelfde man die mij keer op keer verlaat. Veertien jaar later. Ik heb leren schrijven, lopen en lezen, maar toch blijft er een leegte die mij niet wil verlaten. Het gemis van een vaderfiguur is groot, maar het maakt me ook boos.

Toch had ik een moeder die het figuur van beiden was. Zware tijden maar met haar aan mijn zijde weet ik dat ik toch beiden had. Tranen worden verborgen achter een lach en toch niemand die het van mij had verwacht. Een lach die zo puur is met een hart van leegte. Een mind van duisternis met een stem van leven.

Jaren gaan voorbij en nog steeds geen contact. Wil de hoop niet opgeven maar is er nog iets om op te hopen? Deze column is een kijk in mijn hart en gedachten. Zeg eens eerlijk: is er iemand die dit achter mijn lach verwachtte?

Maar dit is niet het enige verhaal dat achter het masker schuilt. Van jongs af aan al gebroken. Raapte mezelf weer op en zei: deze tranen zijn niet nodig. Leef je leven, ook al is het zonder een pap of een mam. Zet je lach weer op en maak er het beste van. Ga naar school en haal je diploma. Maak je mensen hier trots en ook degene daar boven. Gebruik je pijn niet als een excuus, sta op en doe hetgeen dat niemand van je verwacht, met of zonder beide ouders aan je zijde.
Indira Bonatz, klas 3 De nieuwe Havo

Indira Bonatz. Beeld
Indira Bonatz.

‘Ik ben geen superheld en ik ben zeker geen circuspaard’

Mag de tv wat zachter? vraag ik aan mijn broertje. Hij zit op de bank Spider-Man cartoons te kijken. Ik zit in de eetkamer wiskundehuiswerk te maken. Toch hoor ik de tv even hard als de vrachtwagen die buiten parkeert. Mijn vader die in de werkkamer aan het bellen is, mijn stiefmoeder die naast me een mailtje aan het typen is en de regen die op het raam tikt. Het is te veel.

Iemand heeft zo tegen me gezegd: huh, maar iedereen hoort dat toch? Je moet gewoon leren om dat uit te zetten. Dat wordt makkelijker naarmate je ouder wordt. Nou, we zijn nu acht jaar later en ik hoor alle geluiden nog steeds. Dus het is wel te veel. Voor mij.

De reden waarom ik dat nog allemaal hoor en waarom ik er zo’n ‘big deal’ van maak, is omdat ik het elke dag. Elke minuut. Waar ik ook ben. Hoor. Dat komt door een bepaalde reden: ik ben autistisch.

“Dat is toch dat je weet hoeveel blaadjes een boom heeft en weet hoeveel gaatjes er in een schoen zitten?” Uhm nee. Het spijt me om je teleur te stellen, maar ik ben geen superheld en ik ben zeker geen circuspaard. Het is autisme.

Ik heb daardoor geen filter als het op informatieverwerking aankomt (zoals geluiden, nieuwe leerstof, zwaar nieuws, etc.). Alles komt bij me binnen en ik heb na een lange dag of week tijd nodig om dat te verwerken en op een ­rijtje te zetten.

Soms gaat dat ook mis. Als ik niet genoeg tijd voor mezelf heb, stapelen al die prikkels zich op, waardoor ik niet goed (sociaal) functioneer en de mentale kracht niet heb om mensen aan te kijken of om überhaupt te praten. Ik sluit me af en vervolgens wordt me verteld dat ik geen inlevingsvermogen heb en dat ik de goede bedoelingen van de ingewikkelde wereld niet begrijp.

Maar in hoeverre begrijpt de wereld mij?
Ziggy Wijnberg, 4 havo Gerrit van der Veen College

Ziggy Wijnberg. Beeld
Ziggy Wijnberg.

‘Onzekerheid kan veel verpesten’

Ik ben onzeker, omdat ik te veel naar anderen kijk. Ik kijk te veel naar hun uiterlijk en innerlijk. En zo probeer ik mij aan te passen.

Ik vergeet altijd dat ik mezelf moet blijven en dat het niet erg is om anders te zijn of je eigen weg te gaan. Onzekerheid blijft me maar achtervolgen, ook al probeer ik het van mij af te duwen.

Alle complimenten die ik hoor, doen mij wel goed, maar mijn onzekerheid blijft mij maar achtervolgen. De meeste mensen denken dat onzekerheid iets kleins is, maar het kan veel voor je verpesten. Zoals dat ik bepaalde kansen niet durfde te pakken, of dat ik bepaalde dingen niet durfde te zeggen.

Onzekerheid heeft een hele grote impact op mijn leven en ik word het zat. Ik wil kansen pakken, zonder dat ik me zorgen maak over wat er over mij gezegd wordt, wat anderen van mij vinden of denken. Ik wil zelfverzekerd zijn, zodat ik mij beter ga voelen.

Doordat ik onzeker ben, durf ik niet altijd mezelf te zijn en probeer ik te veranderen. Doordat ik onzeker ben, twijfel ik altijd over mijn uiterlijk en of ik wel goed genoeg ben. Door onzekerheid kan ik niet van mezelf houden en mezelf accepteren hoe ik werkelijk ben.

Ik hoop dat ik op een dag over mijn onzekerheid heen kan komen, en dat ik mezelf zal accepteren en waarderen. Want leven met onzekerheid is voor mij een te lange strijd geweest.
Jasmine Lauwerends, 3 vmbo Open School­gemeenschap Bijlmer

Jasmine Lauwerends. Beeld
Jasmine Lauwerends.

‘Een maatschappij waar ik niet mag zijn wie ik ben’

Ik leef in een witte maatschappij. Niemand snapt wat er leeft in mij. Lopend in de straten van Amsterdam. Geboren en getogen maar toch voel ik me niet thuis.

Wijzend en starend kijkt men me aan. Dit is niet anders dan normaal, normaal in mijn wereldje. Ik leef in een witte maatschappij. Een maatschappij waar mijn stem niet telt, een maatschappij waar mijn cultuur een gevaar is. Een maatschappij waar ik een stereotype ben, een grap. Een grap die steeds wordt herhaald.

Ik leef in een witte maatschappij. Levend op een planeet waar ik word geïmiteerd, waar ik inspireer, waar ik intimideer, maar overal waar ik ga, creëer ik de sfeer.

Ik leef in een witte maatschappij. Een maatschappij waar de mensen die mij vertegenwoordigen, woorden gebruiken die mij niet vertegenwoordigen. Waar ik weggestuurd word naar mijn eigen land. Maar een land dat ik niet ken, omdat dat van mij is afgepakt.

Ik leef in een witte maatschappij. Een maatschappij waar ik niet mag zijn wie ik ben. Ik heb de vrijheid om niet vrij te zijn. Kracht is macht en vrouw is zwak.

Ik leef in een witte maatschappij. Waar normen geen waarden hebben en waarden geen normen hebben. Een maatschappij waar een vooroordeel oordeelt. Waar mijn herkomst niet ver komt.

Ik leef in een witte maatschappij. Jij leeft met mij en ziet mijn pijn en doet alsof ik die niet heb, maar ik bloed. Jij staat met mij, maar steekt me in mijn rug of in mijn zij.

Ik leef in een witte maatschappij. Een maatschappij waar niemand een hand uitsteekt naar mij. Een maatschappij waar Jan en Kim voor staan, voor mij. Ik leef in een witte maatschappij. Dag in dag uit en na jaren leeft de witte maatschappij in mij.
Kymmora Vrede, 4 vwo Ir. Lely Lyceum

Kymmora Vrede. Beeld Eigen foto
Kymmora Vrede.Beeld Eigen foto

‘Wat is nu precies de bedoeling? Wat wordt er van mij verwacht?’

Ik doe mijn laptop open en log in op Microsoft Teams. De les begint. Doordat het systeem niet meewerkt, kan ik de les niet goed volgen en geen vragen stellen. Achteraf zie ik dat ik absent sta. De docent noemt mij ongemotiveerd.

De volgende les ziet de docent mijn vraag niet. De uitleg gaat te snel en ik kan niet aangeven dat ik iets niet snap. De les daarna krijgen we helemaal geen uitleg. De absenties worden bijgehouden en dan is de docent verdwenen. Dat was het dan.

Wat is nu precies de bedoeling? Wat wordt er van mij verwacht? Ik tast in het duister. Met een zucht, haal ik de berg kleren van mijn bed en leg ze op mijn bureaustoel. Ik duik maar weer mijn bed in.

De volgende ochtend haal ik de kleding van mijn bureaustoel af en gooi ik ze weer op mijn bed. Gisteren herhaalt zich. Na een mailtje met een vraag krijg ik een linkje naar een YouTubevideo terug. Het internet is mijn nieuwe school.

Zo zag mijn leven er een jaar uit. De cijfers op mijn rapport kleurden steeds roder en de wallen onder mijn ogen steeds zwarter. “Je doet gewoon je best niet meer,” kreeg ik te horen, nadat ik urenlang bezig ben geweest met zelfstudie.

“Samen komen we eruit, maar dan moeten we ook samenwerken,” klonk het. Daar merkte ik eerlijk gezegd weinig van. Het is nu ieder voor zich.

Wie het moeilijk heeft, heeft gewoon pech. Je verdwijnt langzaam tussen alle icoontjes op Teams.

Niemand die je vraagt hoe het met je gaat, of je nog een vraag hebt en of het huiswerk allemaal wel gelukt is. Terwijl zo’n simpele vraag het verschil kan maken.

Ik ben nu niet meer dan een manke thumbnail op de virtuele snelweg.
Imran el Hassani, 4 havo Metis Montessori Lyceum

Imran el Hassani. Beeld
Imran el Hassani.

Parool Columnfestival

Meer dan vijfhonderd Amsterdamse scholieren mengden zich het afgelopen jaar onder begeleiding van productiehuis Nowhere in het publieke debat en schreven scherpe teksten over hun belevingswereld, wensen en kritiek op de samenleving. De veertien meest spraakmakende columns zijn vanaf dit weekend wekelijks te lezen in Het Parool en op Parool.nl. Lees hier het interview met coördinator opinie Jessica Kuitenbrouwer over het project: ‘Het is belangrijk de stem van jongeren te laten horen.’

Meer over