Column

Geenvleeskopers: ze eten het wel, maar kopen het niet

Thomas Acda
Thomas Acda Beeld Wolff
Thomas AcdaBeeld Wolff

Bij vrienden op bezoek in Den Ham (ik denk Overijssel maar pin me er niet op vast, ik reed niet), besloten we steak te gaan eten. Bij Steakhouse André Dokter in Briltil. Alleen al de naam van het dorp maakte me meteen enthousiast. Briltil.

Ik zag de raadsvergadering in Romeinse tijden meteen voor me.

'Goed heren, komen we bij het laatste maar niet onbelangrijkste puntje van de vergadering, daarna gaan we naar de herberg voor een fijne mok gerstenat en wat dwergwerpen: de naam van ons dorp. Er is een voorstel ingediend om het voortaan Briltil te noemen en mij maakt het niet uit als het maar snel wordt besloten, want ik heb dorst.'

Mijn vrienden hadden andere redenen om het steakhouse te bezoeken. Zij zijn sinds een paar maanden geenvleeskopers. Ik weet de officiële benaming niet. Het gaat erom dat ze wel vlees eten, maar het niet meer zelf aanschaffen.

Beter voor het milieu. Het enige nadeel is dat als je net klaar bent met het snijden van de meegebrachte ossenworst, je meteen de tweede kan uitserveren omdat vooral die vrienden daarop aanvallen als een raadsvergadering op een herbergdwerg.

Ik had nog een reden om naar Steakhouse André Dokter in Briltil te willen. Tot twee jaar geleden kwam ik regelmatig een zwerfjongere tegen die ook André Dokter heette. Dokter Dré, zei hij zelf. Aardige jongen, in de war geraakt toen zijn moeder overleed.

Met een prachtig kunstgebit, gekregen van een hulporganisatie, dat hij elke keer weer trots liet zien. En dan gaf ik hem een tientje, of mijn jas al naargelang de kou dan wel mijn Bijbelse bui. Aardige jongen. Ik zag hem nooit meer. In de auto erheen hoopte ik zo dat hij een steakrestaurant in Briltil was begonnen.

In de jaren zeventig zat ons gezin eens op een terras in Brussel en mijn altijd rustige vader vond dat de bediening zo lang op zich liet wachten, dat hij op hoge poten naar binnen liep. Om er schreeuwend weer uit te komen met in zijn kielzog een kok. Ze schreeuwden in het Frans en vielen ­elkaar toen in de armen. Oude vrienden.

Mijn vader en de kok genaamd Gerard hadden elkaar ooit ontmoet in Parijs, zwierven daar een aantal maanden rond tot mijn vader naar huis ging om carrière te maken in de reclame. Gerard werd professioneel zwerver en volhardde in een wat minder ambitieuze carrière in de bukshag. En later dus restauranthouder.

Toen we het steakhouse binnenliepen, lachte de chef me met een stralend gebit toe.

Thomas Acda (1967) is zanger en acteur. Voor Het Parool beschrijft hij wekelijks zijn observaties van 'de' Amsterdammer.

Meer over