Johan Fretz. Beeld Artur Krynicki
Johan Fretz.Beeld Artur Krynicki

Een oerkreet vloog uit door heel Haarlem-Noord, en toen was je er opeens

PlusJohan Fretz

Johan Fretz

Elke keer dat jouw moeder me naar de supermarkt stuurde voor een pak melk, kwam ik terug met twee propvolle tassen. Zes meloenen, vijf pakken koffie. Alsof ik me voorbereidde op een ingesneeuwde bevalling. Eigenaardig. Maar ik kon er niets aan doen, het waren de hormonen.

Je zou op 11 juni komen. Maar je kwam nog niet. Logisch: je broer was ook zes dagen later gekomen. Jullie zijn laatkomers, misschien wel om mij ervan te verzekeren dat ik echt jullie biologische vader ben.

Maar toen ook de reservetijd was verstreken en we inmiddels op 41 weken plus 3 dagen zaten, was de hoeveelheid hormonen in dit huis ondragelijk geworden. Ook van jouw grote broer, die de hele dag aan iedereen die het maar wilde horen jouw naam verklapte. Daarna bekraste hij de nieuwe tv (de oude hadden we net vergoed gekregen van de verzekeraar omdat hij die ook had bekrast) en prompt legde hij zijn eerste drol in het potje en riep trots: ‘Kijk, papa, een worst!’. Zelfs de katten waren zo van slag dat ze jouw pas gewassen babykleertjes helemaal onderpisten. Het was hier een grote incontinente bende.

Ik barstte bijna in tranen uit toen ene Sophie Hermans het te kwaad kreeg in de Kamer. Als dit nog een week langer zou duren, zou ik straks een taart gaan bakken voor Daniel Koerhuis of per tractor naar het Malieveld rijden voor een serenade aan Caroline van der Plas.

Maar toen, twee keer knipperen met mijn ogen, zat ik op een kruk in de woonkamer, naast het bevalbad en keek ik naar het gezicht van je mama, S. Ze had haar ogen gesloten en kneep mijn handen fijn. Bij elke wee duwde ze haar hoofd tegen het mijne. ‘Je moet bij me blijven!’ zei ze.

En opeens zag ik haar weer staan, op het Leidseplein, tien jaar geleden. Ik hield een voordracht vanaf het Ajax-balkon van de Schouwburg en keek recht in haar ogen. Toen, op dat moment al, had ik besloten dat ik voor altijd bij haar zou blijven.

Bovenmenselijk, hoe zij dat deed, jouw moeder. Onvoorstelbaar: puur op wilskracht of misschien door een goddelijke ingeving. Een oerkreet vloog uit door heel Haarlem-Noord, en toen was je er opeens. Aan het einde van de langste dag van het jaar, om 01.40 uur in de midzomernacht. Je huilde niet. Ik schrok me rot, het zou toch niet dat…? Maar na een seconde, die een maanreis lang leek te duren, zei de verloskundige ontspannen: ‘Ze is helemaal oké.’

Nu lig je in mijn armen, onze kleine, lieve, prachtige Leah Martha Marie Fretz, het evenbeeld van je moeder. Donkerblonde haren, helblauwe ogen, onverwoestbaar en met het eeuwige leven, net als de midzomernacht. Wat zei Shakespeare ook alweer? Are you sure that we are awake? It seems to me that yet we sleep, we dream. Maar we dromen niet. Je bent er echt, ons allerliefste midzomernachtskind.

Johan Fretz is schrijver en theatermaker. Hij schrijft elke zaterdag een column voor Het Parool.

Meer over