Femke van der Laan. Beeld Artur Krynicki
Femke van der Laan.Beeld Artur Krynicki

Een briefje met de toegangscode naar zijn fortuin

PlusFemke van der Laan

Femke van der Laan

Ik lig achter de bank, op mijn rug op de grond, met de ene voet tegen de muur en de andere tegen de deurpost. Mijn telefoon is bijna leeg, dus ik zit vast aan een snoer. Ik bel de bank. Dat deed ik eerst rechtop, maar langzaam ben ik onderuitgezakt. Bij elke we-komen-eraan schoof ik een stukje naar beneden.

De jongste was zijn pincode vergeten. Hij had gezegd van niet – “Hij deed het gewoon opeens niet meer” – maar een nieuw pasje bood geen soelaas: ook daar kon niet mee worden betaald. Toch bleef hij erbij dat hij de juiste code gebruikte. Ik had een keer of tien gevraagd of hij het zeker wist – “Weet je het zeker?” – en nog een keer of vijf hoe zeker dan – “Heel zeker?” Daarna vroeg ik om percentages: “Ben je vijfenzeventig procent zeker?”

“Nee, honderd.”

“Negentig?”

“Nee, honderd.”

“Negenennegentig?”

Ik weet niet waar ik mee bezig was. Het was alsof ik hoopte dat als hij maar een getal onder de honderd zou noemen – “Ik ben vierennegentig procent zeker” – er iets in zijn hoofd in gang zou worden gezet dat de juiste pincode zou onthullen, alsof er een cijferslot aan zijn pincode zat dat eerst losgemaakt moest worden of dat er een bankkluis was die geopend werd waarna er ergens, achter een stapel goud, naast een bundeltje aandelen, een briefje gepakt kon worden met daarop de toegangscode naar zijn fortuin.

Of misschien wilde ik gewoon zeggen: “Zie je wel.”

Ik duw met mijn grote teen tegen het gat in de deurpost waar het slot invalt. Zo lag ik vroeger ook altijd, toen ik zo oud was als de jongste, ook bellend, maar dan in de gang, waar de enige telefoon van het huis hing, hoog aan de muur, maar dat maakte niets uit: het snoer rekte mee, ik kon helemaal tegen de voordeur zitten of halverwege de trap zodat iedereen die langsliep moest bukken voor het snoer. Maar het liefst lag ik op mijn rug. Met mijn teen in het gat van de deurpost. Dat paste.

Ik probeer me te herinneren hoe het heet, dat stukje metaal rond het gat in de deurstijl. Slotplaat, denk ik, maar tegelijkertijd hoor ik mezelf vragen: weet je het zeker? Heel zeker? Vijfenzeventig procent? Vierennegentig dan?

Er klinkt een stem aan de andere kant van de lijn. Ik vertel dat mijn zoon zijn pincode is vergeten. “Maar zelf denkt hij van niet.”

“Dat kan gebeuren.” De stem is even stil. “Allebei.”

Met mijn grote teen ga ik heen en weer over het metaal. Sluitplaat, denk ik opeens.

Zie je wel.

Femke van der Laan is journalist. Wekelijks schrijft ze een column voor Het Parool. Lees al haar columns hier terug.

Meer over