Roos Schlikker. Beeld Lin Woldendorp
Roos Schlikker.Beeld Lin Woldendorp

Door Bente werd euthanasie bij baby’s onderwerp van gesprek in media en politiek

PlusRoos Schlikker

Niet alle leeuwen hebben manen. Ze zitten soms verstopt in doodgewone mannen met kleine brilletjes en een vriendelijk gezicht. Ik ontmoette Edwin en Karin Hindriks jaren geleden. Het was een baby die ons pad deed kruisen.

Hun dochter Bente was tien jaar daarvoor geboren met epidermolysis bullosa, een ziekte die haar lijfje tot één grote blaar maakte. Het kind leed voortdurend pijn, dronk morfineflesjes, werd krijsend in azijnbaden gestopt om wonden te ontsmetten. Onmenselijk, vonden de ouders. Maar euthanasie mocht niet, omdat baby’s wilsonbekwaam zijn.

We maakten er een boek over. Samen. Ik zette letters op papier, maar zij hadden het gevecht geleverd. Tegen artsen, wetten, publieke opinie. Edwin en Karin knokten voor hun kind. Niet voor haar leven, maar voor haar dood. Want leeuwen weten als geen ander dat je soms moet durven strijden.

Ik heb ze bewonderd. Deze gewone en tegelijkertijd ongewoon dappere ouders uit Emmen. Het Emmen waar Edwin thuis was. Hij hield van de rust daar. Er worden niet meer woorden gebruikt dan nodig.

Toch hebben we veel gepraat. Karin met moedertranen die zachtjes drupten als ze fotoalbums toonde. Edwin klonk nuchter, maar eronder broeide het. Ouderwoede. Leeuwenkracht. Zij wensten hun kind het onmogelijke. Uiteindelijk kregen ze het voor elkaar. En door Bente werd euthanasie bij baby’s onderwerp van gesprek in media en politiek.

Enkele weken geleden kreeg ik een berichtje via Facebook. Wist ik het al van Edwin? Een paar dagen later stond ik in Emmen. “Ik dacht: ik kom ’ns langs,” zei ik. Edwin grijnsde.

We schutterden. Wat doe je in het aangezicht van de dood? “Ik wil je geloof ik een knuffel wil geven,” murmelde ik onhandig. Dat geloofde Edwin ook.

Edwin vertelde over zijn longen, het ziekenhuis, eten daar dat niet te hachelen was. Onderkoelde zinnen, geen woord te veel. En toch: alles gezegd. Want plotseling mompelde hij: “De dood…. Ik ben er wel bang voor, hoor.” Ik keek op. Zoals Edwin me altijd verraste als er door de laag ratio plotseling een straal kwetsbaarheid scheen. “Maar ja,” vervolgde hij. “Het heeft geen zin daar lang bij stil te staan.”

Dat had het niet. Hoewel hij nog op maanden rekende, misschien jaren, was het een week later voorbij. Het einde waar Edwin en Karin bij Bente zo voor streden, overviel ze ditmaal midden in de nacht.

Een paar dagen geleden appte Karin me een foto. Ze was naar FC Emmen geweest, waar Edwin actief was. Er werd met rouwbanden gevoetbald. Op het kiekje is Karin van achteren te zien, haar armen om hun tienerzonen.

Ik weet niet of Edwin in een hemel geloofde, maar mocht die bestaan, dan is hij daar. Er heeft een meisje op hem gewacht, gewikkeld in een zachte doek, dat hij dicht bij zich houdt. Samen kijken ze naar beneden. Ze zien haar, gebogen over haar welpen.

Niet alle leeuwen hebben manen. Ze zitten soms verstopt in echte mensen. Met een enorme bel liefde die borrelt onder nuchter oppervlak. Het was een eer een leeuw te hebben gekend.

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken. Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Reageren? r.schlikker@parool.nl.

Meer over