Maarten Mol Artikel Beeld Sjoukje Bierma
Maarten Mol ArtikelBeeld Sjoukje Bierma

De man voelde in een van zijn jaszakken en haalde er een wekker uit

PlusMaarten Moll

Maarten Moll

Een zonnige ochtend. Lopend op het pad tussen de voetbalvelden door, met de hond die intussen reigers probeerde te vangen, kwam me een man tegemoet. In zijn linkerhand een plastic zakje.

Ik had hem hier niet verwacht.

Broodman.

Maanden had ik naar hem uitgekeken, omdat ik hem al lang niet had gezien. Maar hij meed mijn blikveld. Die oude man met zijn zakje broodkruimels. Die dat brood op het pad langs de Oosterringdijk strooide. Niet voor de eenden, alleen voor de vogels.

Wat deed hij hier, weggelopen uit zijn vaste decor?

Ik wilde een praatje met hem maken. Toen hij me op een meter of tien genaderd was, zag ik dat het Broodman niet was. Het was een man die uit de gestalte van Broodman was gestapt om zijn ware gedaante te laten zien, al leek hij er wel op. Een mager gezicht, snelle ogen die alle kanten opvlogen, een wat ouderwetse stalen bril die een beetje scheef op zijn neus stond, en sliertig, geenszins vettig haar.

In het zakje dat hij vasthield zaten vijf koekjes met kartelrandjes.

Ik had hem al ter begroeting toegeknikt en we stonden op het punt elkaar te passeren, toen hij bleef staan.

“Meneer,” zei de man.

Ik bleef nu ook staan. De hond die eerst nog kwispelde, verschool zich achter mijn benen.

De man voelde in een van zijn jaszakken, en haalde er toen een wekker uit. Vierkant, wit. Gewoon nog een met wijzers.

“Mag ik vragen of u het ook vijf voor elf heeft?” vroeg hij vriendelijk.

Ik keek op mijn horloge.

“Nee,” antwoordde ik, “ik heb het bijna kwart voor elf.”

“Dank u voor de informatie,” zei de man.

Ik verwachtte dat hij aan de wijzers van zijn wekker ging draaien, maar dat deed hij niet. Hij borg de wekker weer op in zijn jaszak. Hij keek me nog even aan, wilde iets zeggen, slikte de woorden in, en liep toen weer van me vandaan. Met zijn voeten iets naar binnen.

Ik zag dat hij in die korte tijd dat we daar stonden een koekje uit het zakje had weten te halen. Ik had er niets van gemerkt.

Wat een vreemde man, dacht ik, en er overviel me een gedachte. Had hij me iets proberen duidelijk te maken met zijn vijf voor elf? Was dit soms De Dood? (Hoe kwam ik erop?)

Ik verwierp die gedachte, ik maakte er weer iets veel te moois van, en bovendien geloof ik niet in die symboliek.

De hond stond al bij de bocht, ik keek toch nog even achterom. Links op de heup van de man, net zichtbaar onder zijn jas, bungelde een blauw zakje. Een slangetje verdween vanuit het zakje onder zijn jas. Met elke stap tikte het zakje tegen zijn beige broek aan.

De Dood die met een stoma loopt? Het leek me onwaarschijnlijk.

Maarten Moll schrijft over dagelijkse beslommeringen in de stad. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? m.moll@parool.nl

Meer over