Karin Spaink. Beeld Artur Krynicki
Karin Spaink.Beeld Artur Krynicki

De eerste naam die ik op een steentje las, was die van Bernard: nog maar een peuter, en toch vergast

PlusKarin Spaink

Karin Spaink

Het was ontroerend vanaf de eerste blik. Stond je erbuiten, dan keek je op de roestvrijstalen platen van de zwevende overkoepeling, die tot spiegels zijn gepolijst. Ze strekken zich hoog uit en ontnemen je het zicht op stroken lucht, bomen en gebouwen voor je, en schuiven daar de reflectie van andere gebouwen, bomen en lucht voor in de plaats. Je krijgt een verbrokkeld vergezicht, een gebroken geschiedenis, opnieuw bijeen gemetseld. De wereld werd plots een kaleidoscoop.

Eenmaal afgedaald in het monument werd die ervaring heviger. Ook onder de overkoepeling spiegelde het staal. Wie dicht bij een muur stond en omhoogkeek, zag de muur op zijn kop terug en uiteindelijk ook zichzelf ondersteboven weerspiegeld. De wereld was ineens een halve slag gekeerd.

Loop je er rond, dan zie je overal muren, met allemaal ingemetselde steentjes, ruim 102.000 – elk met een naam erop. Namen van echte mensen, doelbewust afgevoerd uit Nederland en overgebracht naar de vernietigingskampen, en daar vermoord om wie ze waren: Joden, Sinti en Roma. Het was een doolhof: de wereld een raadsel.

De eerste naam die ik op een van de steentjes las, was die van Bernard: geboren op 11-11-1940, 1 jaar oud geworden, en toen vermoord. Bernard was nog maar een peuter, en toch werd ook hij vergast in een van de vernietigingskampen. De wereld: een hel.

Het was druk. Overal liepen mensen. Sommigen lazen her en der namen, enkelen waren duidelijk op zoek naar een specifieke naam: die van een vader, een tante, een broer of zus. Veel mensen raakten af en toe steentjes aan, ik ook. De wereld: het oproepen van geschiedenissen, de doden een naam geven, en zo weer een plaats voor hen inruimen.

Tussen de muren stonden ranke bomen in perkjes van witte stenen. Ergens bij een hoek van de S – alle naamstenen zijn alfabetisch gerangschikt, en de muren zelf zijn op hun beurt geordend in Hebreeuwse letters, die samen het woord voor ‘In herinnering’ vormen – stond een jong boompje. Daarnaast zat een katje, een jong dier, hooguit drie maanden oud. Hij was zwart met witte sokjes, trok zich geen sikkepit aan van het volk om zich heen en rekte zich met zijn klauwen uit aan de boom, zo hoog als hij maar kon. Hij knauwde vervolgens aan de bast en hapte er enthousiast een stukje van af. Het leven, vol onschuld. Bernard, 1 jaar oud.

In Berlijn heb ik het Holocaustmonument gezien, het Denkmal für die ermordeten Juden Europas. Ook een doolhof, maar dan zwaarmoedig: een raster van immense betonnen blokken die boven de bezoekers uit torenen. Daar weegt de geschiedenis loodzwaar op je – misschien wel terecht, het is immers een Duits monument, en de schuldvraag is daar nog pregnanter dan hier.

Dit monument is anders. Het is licht en helder. Het nodigt uit tot aanraken, het zoekt contact. Mensen raken er met elkaar aan de praat. En er kunnen jonge katjes doorheen lopen.

Karin Spaink schrijft elke week een column voor Het Parool. Lees al haar columns hier terug.

Meer over