Maarten Mol  Beeld Sjoukje Bierma
Maarten MolBeeld Sjoukje Bierma

Daar lag ineens de meneer uit de auto op een bankje

PlusMaarten Moll

Maarten Moll

Bij de stalen hekjes die de fietsers moeten verhinderen heel hard over het voetpad langs het water te scheuren, stonden twee vrouwen.

Ze droegen beiden zo’n moderne regenjas, de een een groene, de ander een blauwe.

Ze smoesden. Blauw wees, Groen sprak als een profvoetballer achter haar hand.

Twee aangelijnde honden snuffelden bij de heg.

De vrouwen stonden zo dat ik er met goed fatsoen niet langs kon. Ze hadden me nog niet opgemerkt, maar ik kon ze nu wel horen.

Ik wilde een klassiek kuchje laten horen om ze op mijn aanwezigheid te attenderen, maar ik hield het kuchje nog even achter in mijn keel op de reservebank. Eigenlijk wilde ik horen wat de vrouwen bespraken. Ik deed een stille stap naar voren.

“Nee,” zei Groen op zachte toon, “die heb ik hier nog nooit zien liggen.”

Blauw: “Moeten we wat doen?”

Groen: “Wat dan?”

Blauw: “Hem boterhammen brengen?”

Groen, bits: “We zijn toch geen ontbijtservice?”

Blauw: “Misschien is ie ook wel dood, wat denk jij?”

Een van de honden die bij de vrouwen hoorden was bezig iets te doen dat je alleen bij Charlie Chaplin ziet: hij draaide rondjes om de benen van Blauw.

Ik keek langs de vrouwen en zag toen waar ze het over hadden.

Op het eerste bankje lag een man. Zo te zien sliep hij.

Ik zag de kale plek op zijn hoofd. En de onmodieuze grijze jas uit onmodieuze winkels die bepaalde onmodieuze mannen altijd dragen.

Het was de man die ik vaak in de auto zie zitten. Hij leest dan de krant. Soms ligt er naast hem op de bijrijdersstoel een zak broodjes. En de oranje thermoskan heb ik ook vaak gezien als ik, langswandelend met de hond, weer eens ongegeneerd bij hem naar binnen gluurde.

Hij keek me altijd met een wat wrange glimlach aan.

Ik wees dan naar de hond, maar dan was hij alweer in zijn krant verdwenen.

Ik draaide me om en keek naar de geparkeerde auto’s. Ik zag zijn auto nergens.

Ik kuchte.

De vrouwen maakten helaas geen sprongetje van schrik.

“Zal ik even kijken?” zei ik.

Ze deden een stap opzij, waarbij Blauw bijna viel omdat haar benen omwikkeld waren door de hondenriem. Ze wankelde, en Groen pakte haar net op tijd beet.

“Sasja!” riep Blauw verwijtend.

Groen lachte gierend.

Ik liep langs de vrouwen naar het bankje.

De man lag languit op uitgespreide kranten. Ik zag het hoofd van Boris Johnson op een afhangend stuk van de buitenlandpagina.

Onder het hoofd van de man op het bankje een plastic zak waar de mouw van een trui uitstak. Hij had de veters van zijn schoenen losgetrokken, en zijn handen tussen zijn benen geschoven.

Hij sliep.

Het zag er ontzettend vredig uit.

Gelukkig stond hier niet zo’n vijandige bank die het de mens onmogelijk maakt nog ergens languit te gaan liggen. Met van die schotjes, of extra armleuningen.

Naar de vrouwen maakte ik het gebaar dat hij sliep. Groen stak haar duim omhoog.

Ik hoopte dat ze toch boterhammen voor de man gingen maken.

Maarten Moll schrijft over dagelijkse beslommeringen in de stad. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? m.moll@parool.nl

Meer over