Maarten Mol Artikel Beeld Sjoukje Bierma
Maarten Mol ArtikelBeeld Sjoukje Bierma

Bij Dinie, in dat tuinhuisje achter de hockeyvelden

PlusMaarten Moll

Maarten Moll

Op het hoogste punt van de fietsbrug over de A10 stond een man in een blauwe overall naar het verkeer te kijken. Aan zijn voeten lange zwarte rubberen laarzen. Zijn in werkhandschoenen verpakte handen klauwden om de reling.

Het was een man van nog geen veertig, maar zijn verkreukelde gezicht vertelde al een verhaal van veel rampspoed. Zijn rechteroog traande voortdurend.

Naast hem stond een kruiwagen, en in die kruiwagen stond een kerstboom in een zwarte emmer met aarde. Onder de man en zijn boom raasden de auto’s voorbij.

Ergens in de overall begon iets te zingen.

De man trok een handschoen uit en haalde zijn telefoon tevoorschijn.

“Ja, wat is er?”

Hij luisterde.

“Op de brug. (…) Ja, waar die vrouw vorig jaar een kerstboom naar beneden wilde gooien.”

Hij liep een stukje bij de kruiwagen vandaan.

“Nee, ik kom nog niet naar huis.”

De man liep weer terug.

“Wat? Nee, ik ga geen gekke dingen doen. (…) Ja, ik weet dat je gezegd hebt dat ik die boom bij het grofvuil moest zetten,” zei de man, terwijl een pelotonnetje bakfietsen passeerde. “Maar dat doe ik dus niet. (…) Waarom niet? Daarom niet.”

Hij volgde met zijn ogen een reiger die krijsend over kwam vliegen.

“Luister, dat we verloren lag niet aan die boom. (…) Hoe kom je daar nu bij? Ik zat niet de hele tijd verliefd naar die boom te kijken.”

Hij schudde de andere handschoen van zijn hand en veegde met zijn duim het nat bij zijn oog weg.

“Ja, ik ben een beroerde klaverjasser,” zei hij.

“Klopt, ik had die schoppenaas niet moeten spelen.”

Hij schopte zacht tegen de band van de kruiwagen.

“En die boom had wel die tien gespeeld, inderdaad. Ben je nou klaar?”

Hij klemde de telefoon onder zijn kin en pakte de kruiwagen op.

“Ja, ik geloof je. Je bent niet boos meer. Maar ik kom nog niet naar huis.”

Weer die duim.

“Bij Dinie. (…) Nee, niet die Dinie. Mijn nicht Dinie. (…) Die heeft een tuinhuisje achter de hockeyvelden. (…) Dat weet je wel, je wilt alleen nooit mee. (…) Nee, ik vind hem geen gluiperd.”

De man begon voorzichtig met de kruiwagen de brug af te lopen.

“Ruimte zat, er komen meer mensen hun boom daar planten. (…) Dat is wel de bedoeling, ja. (…) Dan ga ik volgend jaar met mijn rug naar die boom zitten, goed? En dan winnen we.”

Plots glipte de telefoon onder zijn kin vandaan en kletterde op het asfalt. De man zette de kruiwagen neer en pakte de telefoon op.

“Ben je er nog? (…) Ja, anders praatten we nu niet met elkaar, hè. (…) “Wanneer ik weer thuiskom? Voor oud en nieuw. (…) Nee, dat was een grap. (…) Ja, dat weet ik. Tot straks. Dag.”

De man stak zijn telefoon weg en nam met een vermoeide uitdrukking op zijn gezicht de kruiwagen weer op. “Jij kunt er ook niets aan doen, boom,” zei hij, “je krijgt een mooi plekje bij het hek.”

En daar gingen man en boom.

Op de reling van de brug lagen nog de twee werkhandschoenen.

Maarten Moll schrijft over dagelijkse beslommeringen in de stad. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? m.moll@parool.nl

Meer over