Plus

Ander perspectief gebruiken? Doe dat dan wel met mate

In deze rubriek vertellen we waarom we dingen in de krant schrijven zoals we ze schrijven. Deze week: je in je publiek verplaatsen. Vragen? puntkomma@parool.nl

Maxime Smit

Een truc om je toehoorder te interesseren in wat je zegt, weet een goede spreker, is je verplaatsen in het dagelijks leven van die persoon.

Politici zijn daar bedreven in. Over het gebruik van het woord ‘wij’ door Amerikaanse presidentskandidaten, en wie ze op welk moment bedoelen met ‘wij’ (wij, de Amerikaanse burgers, wij, de Republikeinen), zijn complete wetenschappelijke studies geschreven.

In Nederland stoeien politici ook met dit thema. Zo bediende premier Mark Rutte zich maandag in een interview in deze krant van een bijzondere vorm: die waarin de politicus niet vanuit zijn eigen perspectief spreekt, maar vanuit dat van ‘de burger’ die vragen stelt aan de politicus. Hij verplaatste zich zo even, bij wijze van spreken, in het hoofd van de kiezer.

Dat zag er zo uit: “Mensen willen vooral dat we hun problemen aanpakken. Die vragen: ga je huizen bouwen? Wat doe je met de vacatures in de zorg? Wat is het plan met mijn koopkracht? Kom ook even toe aan die problemen.”

Minister Hugo de Jonge is ook een kei in deze vorm. Uit de coronapersconferentie van 2 februari vorig jaar, bijvoorbeeld: ‘Ik begrijp heel goed dat mensen het liefst zeggen: wanneer kan ik weer naar de kapper? Of wanneer gaat het restaurant waar ik zo graag heen ging weer open?’

Of op 13 april 2021: ‘We proberen allemaal zo goed mogelijk te snappen wat het RIVM ons voorschotelt, maar voor heel veel mensen is het toch belangrijker van: wanneer kan ik weer wat? En zeg dat nou maar gewoon en doe maar een inschatting.’

Kranten verplaatsen zich vaak ook een beetje in het hoofd van de toehoorder, de lezer in dit geval. Deze kop bijvoorbeeld, uit de krant van vorige week, is gemaakt met het idee dat de lezer zichzelf erin herkent: ‘Ook zo veel pakjes besteld? Maak van al dat karton eens een voetbalspel of ga erin wonen’.

En hier, in een stuk uit december 2020, slaat het gebruik van het woord ‘we’ niet op ‘we, de krant’, maar op ‘we, de lezers’ of zelfs ‘we, de Nederlanders’: ‘Als de crisis morgen is opgelost, wanneer kunnen we dan bands van het formaat Rolling Stones in Nederland verwachten?’

Dat verplaatsen in je publiek kan aardig werken. Online zijn dergelijke krantenstukken bijvoorbeeld vaak stukken die goed worden gelezen. Maar het kan ook een beetje irritant geforceerd en pedant worden. Als een minister voor de zoveelste keer vanuit de rol van ‘gewone burger’ spreekt, wordt het wel erg een ‘kijk mij eens goed weten wat er bij de menschen speelt’-show.

Datzelfde geldt voor stukken. Tien online verhalen op een dag die beginnen met: ‘Drie redenen waarom jij...’ (‘...altijd te laat komt’, ‘...nooit een partner zult vinden’) zijn gemakzuchtig en stom. Matigheid in dit genre is daarom altijd een goed idee.

Sowieso is het de vraag in hoeverre het echt een verschil maakt wiens perspectief je jezelf aanmeet in de communicatie. In zijn boek De belofte uit 2015 beschrijft Pieter Hilhorst dat hij bij zijn aantreden als PvdA-politicus van de ene partijprominent te horen kreeg dat hij te vaak ‘ik’ zei en in het openbaar meer moest spreken vanuit ‘wij’, de partij, terwijl de andere prominent zei dat hij vaker ‘ik’ moest zeggen en niet zo vaak ‘wij’, omdat mensen ‘willen weten wat jij vindt, niet wat een partij vindt’.

Tsja.