Roos Schlikker Beeld Lin Woldendorp
Roos SchlikkerBeeld Lin Woldendorp

Als moederschap me iets heeft geleerd, is het ruimhartig toegeven dat ik het soms verkloot!

PlusRoos Schlikker

Roos Schlikker

De keurige moeder – categorie altijd een zakdoek en een bakje met kaneel bestrooide appelpartjes mee – keek me die dag in de speeltuin geschokt aan. Even daarvoor had ze me gevraagd: “Hoeveel talen spreken jouw kinderen?” “Eeeehm, één,” bromde ik. “Maar jouw man is toch Frans-Canadees?” gilde Appelpartje. “Wat een voorsprong! Wij zijn allebei Nederlands maar ook al bezig met Engelse woordjes bij Joshua. En Duitse. En Franse. Jij hebt een extra taal binnen handbereik en doet er niets mee!” Ik schokschouderde. “Tja. Het is gewoon allemaal een beetje mislukt.”

Ik kon ons verhaal niet mooier maken. Natuurlijk, toen mijn man en ik gloedvol besloten nageslacht te creëren, hadden we grootse ideeën over de opvoeding. Eén daarvan was tweetaligheid. Hij zou Frans spreken, ik Nederlands. Maar zodra de rukkertjes begonnen te kwekken, deden ze dat uitsluitend in het Hollands. Dus als hun vader uiteenzette dat papa een pipe fumet, giechelden ze dat piep iets is is wat een muis doet en daarmee basta. Mijn man raakte steeds verwarder van de respons op zijn Franse referaten, en aangezien het Nederlands zelf al voor voldoende taalkundige uitdagingen zorgde (“Zal ik de asperges schilderen? Waar zijn trouwens de pinboompaarden, poenbaanpeerden, eeeh pijnboompitten?”), lieten we het er maar bij.

Ach, als moederschap me iets heeft geleerd, is het ruimhartig toegeven dat ik het soms verkloot. Niet alleen aan ­volwassenen, maar vooral aan mijn kin­deren. Vandaag wil een van de jongens een vriendje te logeren. Ik heb even geen zin in nachtelijk gestommel, waarna hij bitst: “Het mag ook nooit!” Een explosie volgt. Mijn stem slaat over, ik knal deuren dicht en stamp weg met de hond voor een afkoelrondje.

Eenmaal buiten weet ik meteen: dit was belachelijk en had niets met mijn kind te maken. Wat te doen? Ouderschap is een ingewikkelde koorddans. Wat vertel ik ze en waar belast ik ze niet mee? Maar ik besluit eerlijk te zijn en bel mijn zoon. “Sorry. Ik werd veel te boos. Oma wilde zelden logeetjes en daarom heb ik me voorgenomen dat iedereen bij mij welkom moet zijn. Dus toen jij zei: het mag ook nooit…” Hij onderbreekt me: “O, toen deed dat natuurlijk een beetje pijn. Geeft niet. Ik word ook weleens zomaar boos.”

En dat is dat. Ik loop verder, prakke­serend of ik dit goed heb aangepakt. Het schuldgevoel schrijnt. Tegelijkertijd vind ik excuses maken en ontvangen belangrijke vaardigheden. We zijn zo bang dat onze kinderen ons niet meer respecteren als we ze onze imperfecties tonen. Maar wie zie je liever? Mensen die blijven broeden op hun ei van eigen gelijk of degenen die sorry kunnen zeggen?

Zelf vind ik de laatsten leuker en daarmee een beetje mijzelf. Mijn telefoon piept. Een appje. “Hé mam: we all fuck up.” Hij plaatst er een smiley achteraan. Terecht. Want het is dé spreuk die ik altijd roep. Bij onvoldoendes, bij driftbuien, bij chocolade-ijs op fijnmazige truitjes. We all fuck up. Ik denk dat ik dat maar eens op een schilderij gezet wil. Want er is geen woord Frans aan.

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken. Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Reageren? r.schlikker@parool.nl.

Meer over