PlusExclusief

Zanger Harry Slinger: ‘Het zijn mensen van buiten die lopen te kankeren op Amsterdam’

Harry Slinger: 'We kochten ons huis voor 240.000 gulden, nu is het acht of negen ton waard. Leuk, maar wat heb je eraan?' Beeld Erik Smits
Harry Slinger: 'We kochten ons huis voor 240.000 gulden, nu is het acht of negen ton waard. Leuk, maar wat heb je eraan?'Beeld Erik Smits

Harry Slinger groeide op in de Jordaan en werd zanger dankzij een protestlied over Amsterdam-Noord. Hij verbaast zich over het moderne geklaag. ‘Mensen denken altijd dat problemen nieuw zijn. De stad is al honderden jaren hetzelfde.’

Robert Vuijsje

Wanneer Harry Slinger met een verrekijker uit zijn zolderraam kijkt in Westzaan, gemeente Zaanstad, kan hij de Westertoren net zien, beweert hij zelf. “Echt waar. Als het helder weer is.”

Maar dat kan toch helemaal niet?

“Het gaat om het idee, het gevoel, dat begrijp je toch wel?”

In 1990 was het ook al onmogelijk om in Amsterdam een huis te kopen. “Mijn vrouw komt uit de Zaanstreek. We konden hier zo’n Zaans huis kopen, met een tuin, het is bij elkaar zeshonderd vierkante meter. We kochten het voor 240.000 gulden, nu is het acht of negen ton waard. Leuk, maar wat heb je eraan?”

Aan die verhuizing ging een affaire vooraf met Café Drukwerk, op het Singel. Genoemd naar de popgroep waarvan Harry Slinger ook toen al de zanger was. “Ik woonde erboven. Het café ging naar de kloten, je moet zelf aan de piano zitten.”

De gasten verwachtten jullie elke avond aan te treffen in het café?

“Nee, ik bedoel dat je de kassa moet beheren. We hadden wat foute mensen om ons heen, zoals zoveel artiesten. Als je geld wilt verdienen moet je de manager worden van een artiest, je moet niet de artiest zelf zijn. Die denken aan andere dingen dan geld, ze willen alleen maar nieuwe liedjes maken.”

De openingszin van Hee Amsterdam, de hit waarmee Drukwerk in 1983 zes weken in de Top 40 stond: ‘Ik ben in Amsterdam geboren, driehoog achter op de Bloemgracht.’

“Bloemgracht 121-3, naast Garage Bakker, dat staat daar nog steeds op de gevel. Eigenlijk was het een hele etage, maar wel met vijf kinderen en een kleermakerij aan huis. Nog steeds kan ik goed slapen met herrie om me heen. Ik lag daar in een kamertje terwijl ernaast de naaimachine liep te dreunen.”

“In de Jordaan had iedereen een bijnaam. Mijn vader was De Groene Hoed, mijn moeder De Barones. Zij kwam van buiten: even verderop, in de Marnixstraat. Dat hoorde niet bij de Jordaan, dan had je zogenaamd kapsones. Tegenover ons woonde Bep met de Bijl, die had een keer haar man achterna gezeten met een bijl.”

Wat wilde u vroeger worden?

“Dat wist ik helemaal niet. Ik kon niet stilzitten op school, nu zouden ze dat adhd noemen. Het was net voor de Mammoetwet, dat je tot je 16de verplicht naar school moest. Ik was 13 toen mijn vader zei: dit gaat niet meer. Hij regelde een baantje voor me bij Barotex, in de Oude Hoogstraat. Een textielzaak. Ik werd stoepier, moest de mensen naar binnen lullen.”

“Al die textielbedrijven waren van Joden. In de Damstraat had je Mayo, met als reclameslogan: ‘Wees blij en niet geschrokken, de boot is nog niet vertrokken.’ De eigenaar deed alsof hij naar Israël wilde verhuizen, die had altijd uitverkoop. Alleen ging hij nooit.”

Na een kleine tien jaar volgde een transfer naar het welzijnswerk. “Eerst op de Lindengracht, daarna naar de Banne, in Noord. In dat buurthuis wilde niemand werken. Het waren de jaren 70, crisis. De mannen werden ontslagen bij de scheepsbouw en de vrouwen gingen op VOS-cursus: Vrouwen Oriënteren zich op de Samenleving.”

“Feminisme is helemaal goed, alleen vergaten die vrouwen de mannen mee te nemen. Zo’n man werd ontslagen en zijn vrouw zei dat hij dan ook wel een keer kon koken. Dat werd thuis knokken en de kinderen waren het slachtoffer. Die jongens liepen op straat en kwamen in Noord naar het buurthuis, waar ook al niks te doen was. Als sociaal werker nam ik bokshandschoenen mee, zodat ze hun agressie kwijt konden. Gingen ze elkaar op hun bek timmeren.”

Daar begon ook het muziek maken?

“Voor de actiegroep JAN, Jongeren Amsterdam Noord, maakte ik een protestlied: Ik verveel me zo in Amsterdam-Noord. Ik wilde aandacht voor die jongeren, dat er iets voor ze werd geregeld. We lieten duizend singletjes maken, ik stuurde ze naar alle dj’s in Hilversum. Ook naar mijn grote vriend Frits Spits. Die draaide het op de radio, op Hilversum 3, toen waren we ineens landelijk.”

“Dat was een kick voor die jongeren, iedereen hoorde dat lied. Ik zing het nog steeds, door het hele land. Als ik in Groningen sta, maak ik ervan: ik verveel me zo in Groningen-Noord. Die problematiek is overal hetzelfde.”

Het refrein van Hee Amsterdam, uit 1983 dus:

Hee Amsterdam, ze zeggen dat je bent veranderd
Hee Amsterdam, je kan geen goed meer doen
Maar wie dat zegt, die is geen Amsterdammer
Want Amsterdam, je bent nog net als toen

“De stad is al honderden jaren hetzelfde: er komen mensen van buiten, nu heten die expats, iedereen zegt dat Amsterdam zo is veranderd en je geen huis kunt vinden.”

De tekst is van bijna veertig jaar geleden.

“Mensen denken altijd dat problemen nieuw zijn. Ik ben een nakomertje. Toen mijn broers en zussen vijftig jaar geleden gingen trouwen, moesten ze eerst bij andere mensen intrekken. Gedeeld wonen heette dat. Nu willen ze allemaal in grachtenpanden wonen. Het is altijd moeilijk geweest. Wat denk je van alle mensen die uit Suriname kwamen in de jaren 70? Die woonden boven op elkaar.”

“De Jordaan, waar ik vandaan kom, is gebouwd door hugenoten die uit Frankrijk hierheen vluchtten. Die mochten er niet in omdat ze protestants waren. Net zoals andere vluchtelingen moesten ze hun eigen hutjes bouwen, buiten de stadswal. Dat deden ze in een buurt waar monniken eten verbouwden, daarom al die straatnamen met planten. Het heette Le Jardin, dat werd verbasterd tot Jordaan.”

“De Joden moesten ook alles zelf regelen, ze werden buitengesloten, iedereen hier was antisemitisch. Tot ze in Amsterdam bedachten: die mensen brengen niet alleen problemen mee, maar ook nog iets anders. Wij zijn een havenstad, met zeelui, zo zijn de Wallen ontstaan. Het is altijd een vergaarbak geweest van nieuwe mensen die hier kwamen wonen.”

Het tweede deel van het refrein is: Maar wie dat zegt, die is geen Amsterdammer / Want Amsterdam, je bent nog net als toen.

“Echte Amsterdammers begrijpen dat. Die snappen dat alles in golfbewegingen gaat. Het zijn mensen van buiten die lopen te kankeren op Amsterdam.”

Is het moeilijk om niet meer in Amsterdam te wonen?

“Je blijft altijd een Amsterdammer, of ik het wil of niet. Constant word ik erop aangesproken. In de Zaanstreek zijn ze wel gevoelig voor Amsterdamse humor, die vinden ze vaak over het randje.”

Hij haalt een leeg plastic zakje uit zijn jas. “Heb ik altijd bij me, voor als ik de hond uitlaat. Ik gebruik ook zakjes met het logo van de bakker erop. Laatst liet ik de hond uit en had ik zo’n zakje bij me, ik moest het nog weggooien. Onderweg kwam ik mijn vrouw tegen, die vroeg of ik even wat brood kon halen. Bij de bakker legde ik die volle zak op de toonbank en zei dat hun brood niet te vreten was. Ze keken me allemaal aan alsof ik gek was.”

Wat vreemd.

“Wil je nog een laatste anekdote? Met Drukwerk traden we op in de Bijlmerbajes, op de mannenvleugel en de vrouwenvleugel. Bij die mannen hadden ze liever de Dolly Dots gezien, die wilden niet naar een stel kerels kijken. Helemaal vooraan, achter een grote tafel, zaten de Heinekenontvoerders. De bazen in de gevangenis.”

“In de kleedkamer zat ik te denken: wat kunnen we nou doen, die mannen zitten niet op ons te wachten. We kwamen op en ik begon de tv-reclame te zingen die je toen had voor Heineken. Het eindigde met: Heerlijk helder Heineken. Holleeder, Van Hout en Boellaard zaten ons aan te kijken: wat moet je nou? Die andere gevangenen, achter ze, braken de tent af, die lachten zich kapot. Ik zette nog een paar lege blikjes Heineken op hun tafel, die hadden we in de kleedkamer al opgezopen. In de gevangenis mochten ze natuurlijk geen bier hebben.”

“Jaren later had ik optredens in Voom Voom, die discotheek in Torremolinos. Alleen maar Nederlanders daar. Overdag zit ik bij een strandtentje en ik zie Holleeder lopen met een donkere man, Henk Rommy. Ik denk: nu zullen we het hebben, hopelijk ziet Holleeder me niet. Maar hij komt enthousiast naar me toe: Harry, wil je wat van me drinken? Je moet geen zaken met ze doen, maar het zijn toch gezellige jongens, dus ik zeg: doe maar een Heineken. Ik dacht wel: hoe kom ik hier snel vanaf, straks zien al die Nederlanders me zitten met deze mannen.”

CV

Harry Slinger (Amsterdam, 1949) is de zanger van Drukwerk en treedt nu op met onder meer zijn zoon Bram. Op 18 en 19 juni staan ze op Oerol.

De stad van... Harry Slinger

Echt Amsterdams
“Tijdens de Slingertocht, een rondvaart die ik elke twee weken geef bij Rederij ’t Smidtje, vertel ik het verhaal van Amsterdam. De route heb ik zelf uitgezet.”

Accent
“Jordanees is het. Het hangt af van mijn gezelschap hoe sterk het doorklinkt.”

Rust en drukte
“Rust is het uitzicht vanuit Eye, ’s ochtends voor het druk wordt. Naar het gekkenhuis aan de overkant kijken. Drukte is het Centraal Station uitlopen, dan komt het vanzelf.”

Huur of koop
“Ik heb gekocht, maar ik vind dat er meer sociale huurwoningen moeten komen voor verpleegkundigen, politieagenten en onderwijzers. Wat de gemeente nu goed doet: als je een huis koopt, moet je er zelf gaan wonen.”

Import
“Uiteindelijk zijn we allemaal import, dat is altijd zo geweest. Het houdt de stad levendig.”

Serie

Harry Slinger: 'Je blijft altijd een Amsterdammer, of ik het wil of niet. Constant word ik erop aangesproken.' Beeld Erik Smits
Harry Slinger: 'Je blijft altijd een Amsterdammer, of ik het wil of niet. Constant word ik erop aangesproken.'Beeld Erik Smits
Meer over