PlusInterview

Wethouder Kukenheim over falen hulp aan Famke (14): ‘Veel conclusies zijn niet nieuw’

Uit een een vernietigend rapport blijkt dat liefst elf instellingen faalden in de hulp voor de door haar vader doodgeschoten Famke Koeman (14). Voor verantwoordelijk wethouder Simone Kukenheim (Jeugd en Zorg) laat het wederom zien dat er veel beter samengewerkt moet worden. ‘Zoiets kost tijd, maar die hebben we niet.’

Famke Koeman werd in december 2020 door haar vader doodgeschoten in hun woning in de Eerste Atjehstraat in Amsterdam-Oost. Daarna bracht hij ook zichzelf om het leven.   Beeld Joris Van Gennip
Famke Koeman werd in december 2020 door haar vader doodgeschoten in hun woning in de Eerste Atjehstraat in Amsterdam-Oost. Daarna bracht hij ook zichzelf om het leven.Beeld Joris Van Gennip

December vorig jaar werd Famke Koeman (14) doodgeschoten door haar vader, die daarna zichzelf om het leven bracht. Burgemeester Femke Halsema ging nog die week langs bij de moeder en stiefvader van Famke om hun kant van het verhaal te horen.

“Uit die gesprekken met de moeder kwam naar voren dat er bij de hulpverlening veel mis zou zijn gegaan,” zegt verantwoordelijk wethouder Simone Kukenheim (Jeugd en Zorg). “Het is onze plicht om de onderste steen boven te krijgen. Om ervan te leren, maar ook om de fouten die gemaakt zijn te erkennen. Dat is belangrijk voor de nabestaanden.”

Corinne Dettmeijer, voormalig kinderrechter en Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld, werd gevraagd om onderzoek te doen en kwam vorige week met keiharde conclusies. De elf betrokken instanties, inclusief de gemeente, zijn ernstig in gebreke gebleven bij het beschermen van Famke.

Had u deze conclusies verwacht?

“Ja, we hebben niet voor niets om onderzoek gevraagd. Van de familie kregen we signalen dat hier mogelijk echt dingen zijn misgegaan. Ik vind het een enorm aangrijpend en beklemmend rapport. Die onmacht van de moeder grijpt je naar de keel. Met dit rapport kunnen we goed zien wat er is misgegaan.”

In het rapport staan meerdere kritische noten richting de gemeente. Onder andere dat de informatiedeling onvoldoende is. Trekt u zich dat aan als verantwoordelijk wethouder?

“Met dit rapport kan je niet zeggen: dit is een incident en we gaan verder zoals het was. Ik vind dat er voor ons als bestuurders in het hele veld een verantwoordelijkheid ligt om hiermee aan de slag te gaan. Elke aanbeveling trek ik me aan.”

De gemeente wil niet over een nacht ijs gaan wat betreft nieuwe protocollen en controlemaatregelen. Waarom?

“Als je aan jongeren vraagt wanneer jeugdzorg een verschil voor ze heeft gemaakt, noemen ze vaak voorbeelden van hulpverleners die buiten de lijntjes hebben gekleurd. Iemand die niet protocollen heeft gevolgd.”

“Als ik hier nu weer een nieuw protocol op afgooi, doen we misschien weer precies het tegenovergestelde van wat goed is. Misschien doen we er wel goed aan om een heleboel protocollen te schrappen? De komende tijd gaan we hier naar kijken.”

Die grote regeldruk is niet nieuw. En wel vaker is duidelijk geworden dat instanties langs elkaar heen werken.

“Nee, een heleboel conclusies zijn niet nieuw. We moeten daar constant aan werken.”

“Je ziet goed dat alle verschillende instanties gewoon niet goed hebben samengewerkt. Daar moeten we op elk niveau wat aan doen: in Amsterdam, bij het rijk, bij individuele werknemers, in de wet. Wij zijn er bijvoorbeeld een groot voorstander van dat de Raad voor de Kinderbescherming, Veilig Thuis en instellingen nauwer samenwerken in één team. De wet faciliteert de samenwerkingen tussen deze instanties nog niet. Ik denk dat er op dat niveau echt veel kan veranderen.”

Is het niet wrang dat een rapport nodig is om dit extra bloot te leggen?

“Nou, de beweging om beter samen te werken is al een tijdje gaande. Weet je wat dit rapport vooral laat zien? Dat we geen tijd hebben. Dat de jeugdzorg werkt in situaties waar kinderen en jongeren superkwetsbaar zijn. We willen dat morgen kinderen worden geholpen. Het pijnlijke is dat een beweging tijd kost, maar dat we die niet hebben. Dat maakt dit rapport zo beklemmend.”

In juli kwam de jeugdbescherming Noord-Holland, en dus Amsterdam, onder verscherpt toezicht te staan na een vernietigend rapport van Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid. Wachttijden voor specialistische jeugdhulp zijn te lang, er zijn te weinig plekken voor kinderen die jeugdzorg buiten hun huis nodig hebben, en het personeelsverloop en -verzuim is te groot.

Ziet u parallellen met dat rapport?

“Ja. Je ziet dat veel dezelfde randwaarden hier ook gelden. De jeugdzorg moet onder enorme druk haar werk doen, wegens een tekort aan geld, tijd en randvoorwaarden. Die zaken spelen ook in deze casus.”

Het is bijna het einde van uw wethouderschap. Een absoluut dieptepunt?

“Het is een van de dieptepunten. Ik ben bestuurder, dus ik voel me verantwoordelijk voor de dingen die er gebeuren. Maar ik ben ook gewoon een Amsterdammer, heb drie kinderen. Naar zulke casussen kijk ik ook vanuit mijn rol als moeder. Dan is het natuurlijk alleen maar hartverscheurend.”

‘Niet het laatste gesprek’
Uit de reflecties van de instellingen in het rapport blijkt dat geen van hen vindt dat ze verkeerd hebben gehandeld. Onderzoeker Corinne Dettmeijer roept op tot meer reflectie. Simone Kukenheim zegt dat de eerste gesprekken met deze instanties inmiddels gevoerd zijn. “Zij delen dat we hiermee aan de slag moeten en dit niet het laatste gesprek erover was.”

De betrokken jeugdbeschermingsorganisaties – Jeugdbescherming Regio Amsterdam, Veilig Thuis Amsterdam-Amstelland, de Raad voor de Kinderbescherming Amsterdam en de Ouder- en Kindteams Amsterdam – erkennen de conclusies uit het rapport en zeggen te werken aan het ‘versterken van de samenwerking, het beter delen van informatie en het verbeteren van de samenwerking met de volwassen ggz’.

Het onderzoek is ook kritisch op de rechtbank. Deze zou beter aan wederhoor hebben moeten doen. De rechtbank zegt zich de kritiek van de moeder op de rechtsgang aan te trekken en vat de inhoud van het rapport op ‘als aanbeveling om landelijk tot eenduidig beleid te komen’.

Meer over