PlusAchtergrond

Waarom vindt de een het heerlijk om in de stad te wonen en de ander juist helemaal niet?

Meer dan de helft van de mensheid woont in een stad. Die hoge urbanisatiegraad gaat samen met een groeiend aantal inwoners dat kampt met angst, depressie en verslavingen, de ‘grote drie’ onder de mentale problemen.

José Stoop
null Beeld Getty Images/iStockphoto
Beeld Getty Images/iStockphoto

De een gedijt prima in de stad, terwijl de ander er hopeloos vastloopt. Met hun Centre for Urban Mental Health onderzoeken professor klinische psychologie in de psychiatrie Claudi Bockting en hoogleraar ontwikkelingspsychopathologie Reinout Wiers waarom dat zo is.

Wat maakt dit centrum zo bijzonder?

Bockting: “Wat we willen met het centrum is samen met verschillende disciplines werken aan een verklaringsmodel voor mentale problemen, dus vanuit alle kanten en op allerlei niveaus kijken welke factoren hierbij een rol kunnen spelen. Dat is nog best ingewikkeld, we werken hiervoor met wat ‘complexe systeembenadering’ wordt genoemd.”

“De meeste psychische aandoeningen zijn namelijk niet het resultaat van één factor, zoals een specifiek gen of een omgevingsfactor, maar van heel veel verschillende. En voorheen waren we eigenlijk niet goed in staat om dat te bestuderen, daar heb je kennis en modellen voor nodig uit andere wetenschapstakken die gewend zijn om met veel verschillende en ook onbekende factoren te werken. Denk bijvoorbeeld aan het onderzoek naar het zwarte gat in het midden van ons melkwegstelsel.”

Wiers: “Mentale aandoeningen zijn bij uitstek een complex systeem; denk aan het brein, genetische verschillen, vroege ervaringen, enzovoorts. Er is geen magic bullet die alles verklaart, wij willen dat samenspel van factoren leren begrijpen.”

“Denk bijvoorbeeld aan hoe een gen dat een bepaald eiwit aanmaakt zich verhoudt tot bijvoorbeeld discriminatie waar iemand mee te maken krijgt – een totaal ander niveau dus, wat het ook wel meteen een ingewikkeld verhaal maakt. Maar tegenwoordig kunnen we dus meer dan alleen maar constateren dat het een ingewikkeld verhaal is.”

Hoe zit dat interdisciplinaire karakter van het centrum er precies uit?

Wiers: “De UvA heeft dit onderwerp als haar grootste ‘onderzoekszwaartepunt’ aangewezen en zo de samenwerking mogelijk gemaakt tussen drie faculteiten: Maatschappij en Gedragswetenschappen, Geneeskunde en Natuurwetenschappen, waar dit centrum uit voortgekomen is. Dus wij werken intensief samen met bijvoorbeeld neurowetenschappers en wiskundigen, en allerlei andere experts.”

Bockting: “En we zoeken elkaar echt op. We zitten bijvoorbeeld elke woensdag op het Institute for Advanced Study – ‘mental Wednesday’ noemen we dat – letterlijk naast iemand die alleen maar bezig is om complexe systemen te onderzoeken. Die is helemaal niet met de inhoud bezig, maar alleen maar met modellen loslaten en dan kijken welke kant het systeem opgaat. Alle de promovendi in ons centrum doen ook allemaal interdisciplinaire projecten.”

Wiers: “Binnen psychologie aan de UvA is de netwerkbenadering ontwikkeld, die zorgt voor een heel andere kijk op mentale problemen. Voorheen dachten we, je hebt een hersenziekte die zich uit door bepaalde symptomen, en daar werd dan een interventie op ingezet – het idee van één onderliggende latente factor. Met netwerkanalyse ga je ervan uit dat het ene symptoom het andere symptoom veroorzaakt, dus veel meer het idee van een dynamisch netwerk, wat ook veel dichter bij de klinische praktijk staat.”

Wordt de oorzaak van stoornissen daarmee meteen ook veel complexer?

Bockting: “Ja, maar ook weer niet. Denk bijvoorbeeld aan iemand die even iets minder goed slaapt, die zich daardoor ook minder goed kan concentreren, die dan door de zomerhitte nog wat slechter gaat slapen, daardoor steeds meer gaat piekeren, meer irritaties ervaart, zich daar schuldig om voelt, en voor je het weet zit die persoon in een cascade van negatieve dingen.”

“Heeft zo iemand dan ook nog opeens te maken met een reorganisatie, dan kan dit zomaar escaleren tot een psychische stoornis. Dan kun je onderzoeken op welke aangrijpingspunten en op welk moment je nu het beste een interventie kunt doen om deze persoon te helpen.”

Doen jullie alleen dat onderzoek of ook echt de interventies die ingrijpen in die keten?

Wiers: “De nadruk voor deze eerste vijf jaar van het centrum ligt op fundamentele onderzoeksprojecten, maar tegelijkertijd wilden we ook van het begin af aan toegepaste interventieprojecten doen, al zijn die nu nog relatief kleinschalig. In de tweede vijf jaar willen we ons echt richten op interventies gebaseerd op al dat onderzoek.”

Bockting: “We bestaan pas drie jaar maar we hebben nu eigenlijk al enorm veel projecten, waaronder ook gezamenlijke initiatieven om te zoeken naar nieuwe aangrijpingspunten met de ggz, gemeente, 113 Suïcidepreventie, Leger des Heils, opvangcentra, enzovoorts.”

“Overigens ziet een deel van onze onderzoekers binnen ons centrum ook nog steeds cliënten, en die komen ook met allerlei nieuwe ideeën en invalshoeken. In dat opzicht staan we dus zelf ook nog steeds met onze voeten in de klei.”

Wat is een voorbeeld van zo’n interventie?

Bockting: “Nou, we werken bijvoorbeeld samen met 113 Suïcidepreventie, om mentoren op school te ondersteunen die te maken krijgen met een leerling die terug op school komt na een poging. Niet alleen om die leerling individueel te begeleiden, maar ook copycatgedrag op school te voorkomen; we zien namelijk dat zo’n suïcidepoging zich kan verspreiden op school. Dat is dus een voorbeeld van wetenschappelijke inzichten vertalen naar een gezamenlijk interventieproject op een hoger niveau.”

“Nog een voorbeeld: we zien veel jongvolwassenen met depressie. Een van de dingen waar we naar aan het kijken zijn is of we met een pilletje de samenstelling van de darmhuishouding kunnen beïnvloeden en daarmee depressie kunnen verminderen, iets heel anders dus dan met een ‘gewoon’ antidepressivum. We zijn er ook achtergekomen dat veel mensen vastlopen omdat ze geen goede toegang hebben tot de schuldsanering, dat is weer een interventie op een heel ander niveau dus.”

Wat zijn eigenlijk de unieke kenmerken van Amsterdam wat betreft stadsproblematiek?

Bockting: “Fietsen! In Amsterdam zie je dat mensen zich met een enorme snelheid door de stad begeven op de fiets. Aan de ene kant natuurlijk heel positief; beweging is ook goed voor het mentale welzijn, maar die grote snelheid kan ook zorgen voor stress en ongelukken. Voor andere weggebruikers kan dit extra stress genereren, dat ze zich niet veilig voelen.”

Wiers: “Er wordt in het centrum ook onderzoek gedaan naar dat soort schalingseffecten, die overigens niet alleen negatief zijn: een stad is vaak efficiënt wat betreft vervoer en geeft allerlei economische voordelen. Maar gaat dus ook gepaard met een toename aan veelvoorkomende mentale problemen.”

Bokcting: “Het is trouwens niet zo: hoe groter de stad, hoe groter de problemen. Die relatie is non-lineair. Maar als een stad echt heel groot is, dan lijkt dat wel een versnelde impact te hebben op het stressniveau van de inwoners, een beetje zoals een R boven de 1 bij Covid-19.”

“Overigens denken wij dan, leuk al die verbanden, maar wat is de kip en wat is het ei? En: waar kun je op ingrijpen en wat kun je eraan doen? Daarvoor slaan wij dan weer aan het data verzamelen en analyseren. Het mooie is dat we daarvoor tegenwoordig veel meer technologie tot onze beschikking hebben, zoals apps en wearables (op het lichaam gedragen meetapparaatjes zoals een smartwatch), maar ook toegang tot stedelijke nationale en internationale data, waarmee we echt ‘in het wild’ kunnen meten.”

Over de kip of het ei gesproken: kun je nu zeggen dat stad ziekmakend is, of trekt een bepaald soort type mens naar de stad dat vatbaar is voor psychische aandoeningen?

Bockting: “Dat is inderdaad precies de kip-eidiscussie die wij voeren: is er een relatie tussen de samenstelling van de bevolking in een stad en mentale problemen, of loop je in een bepaalde wijk gewoon een veel hogere kans op mentale problemen te ontwikkelen? Of, gaat het misschien om de mate waarin je mogelijkheden hebt om je situatie te veranderen?”

“Mensen met een lagere sociaal-economische status bijvoorbeeld hebben vaak minder kans op het vinden van een huis, of wonen vaker in een omgeving met veel lawaai, of met veel mensen in een klein huis. Dat is nu precies wat we willen bestuderen, de clou: hoe werken deze factoren op elkaar in, en waar kun je dan het beste ingrijpen?”

CV

Reinout Wiers (Groningen, 3 maart 1966) studeerde psychologie aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij cum laude afstudeerde, en is daar nu hoogleraar ontwikkelingspsychopathologie. Hij is gespecialiseerd in onderzoek naar (neuro)cognitieve processen bij het ontstaan van verslaving, en de behandeling hiervan.

Claudi Bockting (Silvolde, 5 mei 1969) studeerde klinische psychologie aan de Universiteit van Amsterdam, waar zij cum laude afstudeerde, en is hoogleraar klinische psychologie in de psychiatrie en clinicus bij de faculteit geneeskunde (UvA) bij ] Amsterdam UMC. Ze is gespecialiseerd in onderzoek naar het ontstaan, de instandhouding en terugval van depressie en angststoornissen en de ontwikkeling van nieuwe interventies.

Samen leiden Claudi Bockting en Reinout Wiers sinds drie jaar het interdisciplinaire Centre for Urban Mental Health aan de UvA, waarin de meest voorkomende mentale gezondheidsproblemen (angst, depressie en verslaving) bestudeerd en gemodelleerd worden, met als doel tot nieuwe interventies te komen.

Claudi Bockting. Beeld
Claudi Bockting.
Reinout Wiers. Beeld KIRSTEN VAN SANTEN
Reinout Wiers.Beeld KIRSTEN VAN SANTEN
Meer over