PlusAchtergrond

Twee dagboeken, één onderduikadres: het leven op Amstel 278 door de ogen van Géza Weisz en Fritz Rimathé

De Joodse acteur Géza Weisz dook tijdens de Duitse bezetting onder bij Fritz Rimathé, op Amstel 278. De twee vrienden hielden allebei een dagboek bij. Na zijn radiodocumentaire Het Schimmenspel, over het korte leven van Weisz, kreeg journalist Tom Rooduijn het verloren gewaande oorlogsdagboek van Rimathé in handen.

Peter de Brock
Fritz Rimathé op zijn werkkamer aan de Amstel, gefotografeerd door Géza Weisz. Beeld Archief Géza Weisz en Fritz Rimathé
Fritz Rimathé op zijn werkkamer aan de Amstel, gefotografeerd door Géza Weisz.Beeld Archief Géza Weisz en Fritz Rimathé

Een paar uur na de Duitse inval in Nederland, op 10 mei 1940, draaide Fritz Rimathé in zijn huis op Amstel 278 een vel papier in zijn typemachine. Met zijn in het Franse geschreven ‘Journal de Guerre’ wilde de Zwitserse arts voor zijn familie in het buitenland de dagelijkse gebeurtenissen in Amsterdam vastleggen, uit angst dat die zouden vervagen als het allemaal voorbij zou zijn: ‘Zoals iemand die in een gletsjer is gevallen wakker moet blijven om niet dood te vriezen.’

De bovenwoning aan de Amstel van Rimathé en actrice Georgette Rejewski was voor en na de meidagen een geliefkoosde pleisterplaats voor eerder uit Berlijn gevluchte kunstenaars. Een groep waartoe het echtpaar zich voelde aangetrokken. “Wij waren allemaal kleinburgers vergeleken bij die immigranten,” vertelde Georgette ooit in een interview. “De manier waarop ze zich bewogen, kleedden, hun levensstijl was zó opvallend en zó veel leuker.”

Ook de in 1933 uit Berlijn gevluchte Joodse acteur Géza L. Weisz, de vader van filmregisseur Frans Weisz en opa van acteur Géza Weisz, was kind aan huis aan de Amstel 278. Hoewel hij als geboren komiek altijd en overal de humor van inziet, blijkt hij in de zomer van 1940 al somber over de toekomst: ‘We worden tot slaaf gemaakt van de Duitse horden. Wat we tot nu toe zagen, is nog maar een peulenschil.’ Hoewel Fritz daarover dan nog genuanceerder denkt, noteerde hij de dialoog wel in zijn dagboek.

Verhaal gaat verder onder de foto.

Amstel 278 vóór de oorlog: het tweede huis achter de auto. Beeld Archief Géza Weisz en Fritz Rimathé
Amstel 278 vóór de oorlog: het tweede huis achter de auto.Beeld Archief Géza Weisz en Fritz Rimathé

Weisz wist als vluchteling beter waar de nazi’s toe in staat waren, denkt journalist Tom Rooduijn. Dat blijkt, als een van alles berooide Géza zomer 1942 moet onderduiken aan de Amstel: ‘Ik ben uit mijn werk, mijn gezinsleven, mijn hele bestaan gehaald. Ik heb nergens meer een huis, moet mij verbergen.’

Hoewel hij alle reden heeft tot haat, is hij daartoe nog niet in staat. Fritz worstelt wel met zijn ‘kwetsbare humanisme’ na een bezoek aan de foute Willem Bungenberg de Jong, eerste geneesheer van het Binnengasthuis: ‘Ik ben moreel niet opgewassen tegen de rabiate drift van dit soort Einseitigen.’

Schimmenspel

Op basis van beide dagboeken reconstrueert Rooduijn in het boek Amstel 278 nauwgezet de vijf oorlogsjaren in het hart van Amsterdam. Eerder maakte hij al een radiodocumentaire over het korte leven van Géza Weisz: Het Schimmenspel. Daarvoor kon hij terugvallen op het dagboek dat Weisz schreef tijdens zijn onderduikperiode aan de Amstel, dat in 1947 was overgedragen aan het toenmalige Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie.

Het Journal de Guerre van Fritz Rimathé daarentegen bleek na de oorlog vernietigd door zijn Duitse moeder. “Zij was zo geschokt door de wandaden van haar landgenoten, dat ze het dikke pak papier met dagboekaantekeningen en bijgevoegde knipsels en pamfletten door haar huishoudster liet verbranden,” zegt Rooduijn. Na Het Schimmenspel ontving hij van de in Brazilië wonende kleindochter Manja Rimathé een doorslag van de typemachinevellen. De journalist ontving ze keurig uitgewerkt. “Ik moest ze slechts vertalen. De verloren gegane documentatie was vrij gemakkelijk terug te vinden. Fritz had als chroniqueur alles goed gedocumenteerd.”

Verhaal gaat verder onder de foto.

Géza Weisz op het platje van Amstel 278. Beeld Archief  Géza Weisz en Fritz Rimathé
Géza Weisz op het platje van Amstel 278.Beeld Archief Géza Weisz en Fritz Rimathé

Onaantastbaar

Het unieke van de twee oorlogsdagboeken is dat de twee vrienden de gebeurtenissen beschrijven rondom hetzelfde onderduikadres, elkaar aanvullend vanuit verschillende perspectieven. Waar Rimathé verslag doet van het dagelijks leven, van de boodschappen op de zwarte markt tot de razzia’s in de Joodse wijk aan de overzijde van de Amstel, beschrijft Weisz de oplopende spanningen op het onderduikadres, zijn huwelijkscrisis met Selma en het korte weerzien met hun in Limburg ondergebrachte zoontje Fransje.

De twee vrienden voelden zich ook lang onaantastbaar. Fritz koesterde zijn Zwitserse nationaliteit, Géza waande zich lang veilig dankzij zijn Hongaarse paspoort. Maar op maandag 7 augustus 1944 stormden vijf leden van de Sicherheitspolizei de trap op. Met getrokken revolvers liepen ze regelrecht af op de archiefkast, waarachter Géza en Selma verstopt zaten. “Protest van Fritz dat de Duitsers zich begaven op Zwitsers grondgebied haalde niets uit,” aldus Rooduijn. Géza, Selma en Fritz werden afgevoerd. Alleen Selma zou de oorlog overleven.

De grootste provocateur van Nederland

Alles wijst op verraad, uitgerekend van een Berlijnse schoolvriend van Géza Weisz: Rudolf ‘Rudi’ Pollak. Een man die zich had weten te laten ‘ontjoodsen’, met goede connecties in Den Haag en bij de Joodsche Raad, hoewel voorzitter Abraham Asscher hem sterk wantrouwde en niets van hem moest hebben.

Pollak was in maart 1944 door de Duitsers gearresteerd en na een half jaar weer vrijgelaten, momenten waarop juist mensen uit zijn netwerk waren opgepakt en in vermomming gespot op het SD-bureau in Velp. En er was een briefje dat Fritz de dag na de inval via een goede politieman liet bezorgen bij Georgette: Rudi est quid fecit (Rudi heeft het gedaan).

Verhaal gaat verder onder de foto.

Bewijsvoering Rudi Pollak van de Entscheidungsstelle. Beeld Archief cbg
Bewijsvoering Rudi Pollak van de Entscheidungsstelle.Beeld Archief cbg

“Ik ga bewust niet op de stoel van de rechter zitten,” benadrukt Tom Rooduijn, “dat laat ik aan de lezer.” Vermoedelijk stond Pollak onder zware druk van de Duitsers, die dreigden met het laten vermoorden van zijn opgepakte Joodse moeder. “Diep tragische omstandigheden, waardoor iemand als Pollak eerder beklagenswaardig is. Het is makkelijk om er nu achteraf over te oordelen. Maar wat zouden wij doen in een dergelijke situatie?”

Voor het verzet stond vast dat de ‘grootste provocateur van Nederland’ uit de weg moest worden geruimd. Een eerste liquidatiepoging mislukte faliekant, met vreselijke gevolgen voor verzetsman Marinus Post. Maar op 17 november 1944 werd Pollak op de hoek van de Johannes Verhulststraat en Cornelis Schuytstraat door een knokploeg van zijn fiets geschoten. Aan de deur van de slagerij op de straathoek werd een briefje bevestigd: ‘Heden vlees zonder bon.’

Tom Rooduijn: Amstel 278. Thomas Rap, €24,99

Meer over