PlusExclusief

Schrijver en acteur Maarten Spanjer: ‘Die Amsterdamse humor vind ik vaak niet te pruimen, zo oubollig’

Maarten Spanjer op de patio van zijn huis. Beeld Erik Smits
Maarten Spanjer op de patio van zijn huis.Beeld Erik Smits

Maarten Spanjer werkte zich op van de Transvaalbuurt naar een huis aan het Vondelpark. Maar zelf ziet hij dat niet zo. ‘Wat ik wilde worden? Ik heb nooit iets willen worden. Je zou kunnen zeggen dat ik een verhalenverteller ben.’

Robert Vuijsje

Toen Maarten Spanjer een huis kocht, vroeg zijn broer: “Jíj, een huís kopen?”

“Dus ik zei: ja, nou en? Mijn broer vroeg waar dat huis dan stond. Ik zei: aan het Vondelpark. Hij werd steeds onrustiger. Tot ik hem vertelde: rustig maar, het is aan de verkeerde kant, bij de Overtoom. Ik kocht het destijds voor een bedrag waar je nu een hok voor krijgt.”

Van de Transvaalbuurt in Amsterdam-Oost naar een huis aan het Vondelpark, voelde dat als een overwinning?

“Nee. Zo ben ik niet. In elke familie heb je een kind dat trots is dat hij zich aan zijn milieu heeft ontworsteld. Jaren geleden woonde mijn broer op een kamer aan de Oranje Nassaulaan, ook bij het Vondelpark. Daar was hij wel trots op.”

“Toen ik begon met acteren en net een beetje beroemd werd, zei iemand tegen me dat ik een andere auto moest kopen. Die Peugeot van mij, daarin kon je niet komen voorrijden bij een onderhandeling over een groot contract. Dus ik kocht een zwarte Mercedes. Ik woonde nog in Oost en een vrouw uit de straat zei: zo, nu heb je eindelijk iets waar je trots op kunt zijn. Voor mij is het ondenkbaar om trots op een auto te zijn.”

De familie Spanjer woonde in de Retiefstraat. “Ik fiets er nog weleens doorheen. Wat me dan opvalt: het is niet levendig meer, vroeger zag je kinderen op straat spelen.”

Wat was het verder voor buurt?

“Wat kan ik me herinneren? Het waren de jaren na de oorlog. Vlakbij, op de Linnaeusstraat, had je die tunnel bij de spoorwegovergang. In die tijd was Boldoot een bekend parfummerk. Eau de Cologne 4711, iedere moeder had zo’n fles in de kast liggen. Boven die tunnel stond met grote letters de tekst: Boldoot is goed, Bal dood is beter.”

“Meneer Bal was een NSB’er, dat wist iedereen in de buurt. In de Pretoriusstraat had je een slagerij die fout was geweest in de oorlog. Daar mocht je nooit heen. Ook niet als het bij de andere slagers heel druk was. Anders liep je maar naar de slager in de Watergraafsmeer.”

“Ik zat op de lagere school aan de Linnaeushof in de Watergraafsmeer. Dat was toen ook al voor mensen met een wat dikkere portemonnee dan in de Transvaalbuurt. Eigenlijk is dat nog steeds zo.”

Waar merkte u dat verschil aan?

“Het is verder geen drama, hoor. Maar ik weet nog dat de hoofdonderwijzer, een enorme eikel die zich heel belangrijk voelde, in een slee kwam voorrijden bij ons huis, om mijn schooladvies te bespreken. Zo’n grote Amerikaanse auto in onze Transvaalbuurt, dat was wat.”

“Het ging erom dat mijn ouders me op een lyceum wilden krijgen, als eerste in de familie. Die hoofdonderwijzer vond het verstandiger als ik naar de mulo ging. Mijn vader, die redelijk eigenwijs was, zei: hij haalt achten en negens, waarom zou hij niet naar de HBS kunnen? Uiteindelijk ben ik naar het Sint Nicolaaslyceum gegaan, in Zuid. Waarom ik nou juist op die school werd gezet? Ik weet het nog steeds niet.”

Was het daar anders dan in Oost?

“Ineens zat ik in de klas met jongens die een aardappel in hun keel hadden. Jongens van 16 die pijp rookten en eruitzagen als Hans Wiegel. Als kind neem je dat taalgebruik over. Bij ons thuis kreeg je één keer per week een schone onderbroek. Ik weet nog dat ik mijn moeder vroeg om een nieuwe onderbroek en ze zei: nee, je hebt er zaterdag al een gehad. Waarop ik vroeg: maar ik heb tal van broeken, wat maakt het nou uit? Tal van. Daar ben ik nog jaren mee gepest. Hoor hem nou, met z’n lyceum.”

Wat wilde u worden?

“Ik heb nooit iets willen worden. Als je een paar rollen hebt gespeeld, ben je voor de buitenwereld een acteur. Ik zou het niet in mijn paspoort zetten. In 1986 publiceerde ik mijn eerste boek, Eigen schuld. Het waren verhalen die in mijn hoofd zaten, die ik kwijt wilde. Daarna dacht ik: nu ben ik klaar, ik heb gezegd wat ik wilde zeggen. Maar dan begint een uitgever na een tijdje te vragen waar het volgende boek blijft.”

Wat bent u uiteindelijk geworden?

“Een rommelaar. Je zou kunnen zeggen dat ik een verhalenverteller ben. Dat krijg ik als reactie van mensen die mijn boeken hebben gelezen: ik hoor jouw stem erbij. Ik heb natuurlijk liever dat ze zouden zeggen: wat ben jij een geweldige schrijver.”

“Het verschil met literatuur zou dan zijn dat daar diepere gedachten worden beschreven. Ik typeer liever iemand aan de hand van een anekdote dan dat ik ga zitten bedenken: hoe zit hij nou in elkaar? Ik wantrouw mensen die zeggen dat ze op hun twaalfde al wisten dat ze schrijver zouden worden. Dat zijn hele vervelende gasten.”

Behalve acteren en schrijven maakte Spanjer ook tv-programma’s, te beginnen met Voetbal 80, ruim veertig jaar geleden. “En Taxi, daarmee hebben we een Gouden Roos gewonnen in Montreux. Dan word je ineens voor vol aangezien.”

In welke wereld voelde u zich het meest thuis?

“Voetbal. Alleen had ik te weinig talent om zelf voetballer te worden. Die wereld is direct. Als in een elftal een vervelende gozer zit, wordt die gecorrigeerd in de kleedkamer: doe even normaal, man. Acteurs zijn lief voor elkaar. Onzekere ijdeltuiten. Ik generaliseer nu even.”

Heeft u ooit overwogen om buiten Amsterdam te gaan wonen?

“Geen moment. Ik heb weleens vriendinnen gehad die aan het water wilden wonen. Ik zal er eens over denken, zei ik dan. Als ik was uitgedacht, was de relatie meestal wel voorbij.”

Bestaat er zoiets als Amsterdamse humor?

“Het is een veelheid aan dorpen, met een eigen ziel. Zelfs de accenten verschillen. Wat doorgaat voor Amsterdamse humor vind ik vaak niet te pruimen. Het is zo oubollig. En die fameuze Jordanese gevatheid, hard en cynisch, over de rug van een ander: daar heb ik niet zoveel mee.”

“Ze doen me denken aan Volendammers. Altijd ruzie in de familie – en altijd over geld. En wat je ziet bij Jordanese zangers: steeds maar weer die verhalen over de Westertoren, die ze zo hebben gemist als ze op vakantie zijn geweest. Maar zodra ze geld hebben verdiend, weten ze niet hoe snel ze moeten verhuizen naar Blaricum.”

Later dit jaar wordt u 70.

“Dan komt mijn nieuwe boek uit, De kunst van het loslaten. Ontmoetingen met mensen die de moeite waard zijn en met wie ik dingen heb meegemaakt. Koos Postema, Rijk de Gooijer, Theo Hiddema. Twintig jaar geleden had ik dat boek niet kunnen schrijven. Een van de weinige voordelen van ouder worden is dat je met afstand kunt kijken.”

Is het jammer dat u geen kinderen heeft gekregen?

“Nee, daar denk ik nooit over na. Kennelijk zat het er niet in. Ik heb nooit een goede moeder gevonden.”

Hoe voelt het om 70 te worden?

“Ik voel me geen 70. Ook geen 60. Ik ben vijf jaar ouder dan mijn vader was toen hij stierf. Vroeger werden ze sneller oud. Hardere levens, die oorlog hielp ook niet mee. Je gaat meer nadenken over het naderende einde dat ons allemaal te wachten staat. En over de zin van het leven.”

Wat is de zin van het leven?

“Dat je bezig moet blijven. Ook al is het met iets waar niemand op lijkt te zitten wachten. Dat is de spagaat van een nieuw boek schrijven. Je weet dat niemand erop zit te wachten. En tegelijk moet je denken: iedereen gaat dit willen lezen. Anders kun je dat boek niet schrijven. Ik ga weleens tien keer mijn bed uit om één woordje te veranderen, terwijl ik weet dat iedereen eroverheen leest.”

“De laatste tijd betrap ik mezelf erop dat ik door mijn huis loop te scharrelen. Gewoon, een beetje rondscharrelen. Vroeger liep je ergens heen, dan had je een doel. Nu scharrel ik.”

CV

Maarten Spanjer (Amsterdam, 1952) brak in 1980 door als acteur in de film Spetters, van Paul Verhoeven. Daarna werd werd hij schrijver, acteur en tv-maker. Later dit jaar verschijnt zijn nieuwe boek, De kunst van het loslaten.

De stad van... Maarten Spanjer

Echt Amsterdams
“In de kroeg. Het hele spel dat daar wordt opgevoerd.”

Accent
“Het enige wat er bij mij niet uit valt te rammen, ook niet door ex-vriendinnen, is dat ik blijf zeggen: hij heb. Verder denk ik dat ik een licht Amsterdams accent heb, niet te zwaar.”

Partner
“Op het moment niet. Maar ze kwamen overal vandaan. Met een bekakte dame kan het net zo spannend zijn als met een platte Amsterdamse.”

Huur of koop
“Met die vraag heb ik niets. Ik ben blij dat ik heb gekocht. Het is nu hypotheekvrij, dat voelt lekker. Maar door die huizen wordt de kloof tussen arm en rijk wel steeds groter.”

Import
“Die kunnen nooit echte Amsterdammers worden, dat is uitgesloten. Sorry.”

Serie

Amsterdammers klagen graag over de snel veranderende stad, maar willen hier toch blijven wonen. Hoe werkt dat, vraagt schrijver Robert Vuijsje (Alleen maar nette mensen, Salomons oordeel) zich af in een wekelijkse interviewserie met bekende en minder bekende Amsterdammers. Dit is aflevering 15. Lees hier alle afleveringen terug.

Meer over