PlusAchtergrond

Schip van Slebos bij de Sloterplas, een fris nieuw stuk Amsterdam

Het Schip van Slebos in het najaar van 1972, gezien vanaf de oostoever van de Sloterplas.
 Beeld  Stadsarchief Amsterdam
Het Schip van Slebos in het najaar van 1972, gezien vanaf de oostoever van de Sloterplas.Beeld Stadsarchief Amsterdam

Op de noordoostelijke oever van de Sloterplas ligt sinds het begin van de jaren zestig het Schip van Slebos. Het is een opvallend strak paviljoen in de destijds nieuwe wijk, bedoeld als recreatieplek voor de Amsterdammers.

David Geneste

De Sloterplas is onderdeel van het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP), een ongekend grote stadsuitbreiding uit 1935 waarmee Amsterdam de woningnood probeerde aan te pakken. Het ontwerp kwam van de vooruitstrevende stedenbouwkundige Cornelis van Eesteren, die als hoofd van de afdeling Stadsontwikkeling een reeks van moderne en ruim opgezette tuinwijken rond Amsterdam wilde aanleggen.

Tussen de vier bedachte Tuinsteden – Slotermeer, Slotervaart, Geuzenveld en Osdorp – lag de oude Sloterdijkermeerpolder. Die werd omwille van de zandwinning vanaf 1948 uitgegraven. De bovenste sliblaag werd gebruikt voor ophoging van het groen rond de ontstane Sloterplas.

In het AUP waren de plas en het belendende groen meteen al een belangrijke recreatieve functie toebedeeld. Niet alleen voor de bewoners van de nieuwe wijken, maar ook voor Amsterdammers uit de binnenstad. De parken, zwemlocaties, volkstuinen en sport- en speelplekken kwamen hoofdzakelijk aan de noordoostelijke zijde van de plas te liggen, het deel dat dankzij de verlengde Jan Evertsenstraat het dichtst bij de oude stad ligt. De grote rotonde – een van de eerste in Amsterdam – aan het einde van de Jan Evertsenstraat vormde het scharnierpunt, een overgang tussen de oude stenen stad en de met monumentale iepen geflankeerde flaneerboulevard.

Onopvallende bruggen

Een belangrijke inspiratiebron voor dit deel van de Sloterplas was de Maschsee, een waterbekken in het centrum van de Duitse stad Hannover, die tegen het eind van de jaren twintig was aangelegd om overtollig water op te vangen en bewoners van recreatieplekken te voorzien. Vormgeving en inrichting van de Sloterplas kregen mede daardoor extra veel aandacht.

Het eerste onderdeel van het totaalontwerp bestond uit de twee onopvallende vlakke bruggen 606 en 607, die over de Burgemeester Cramergracht liggen en een eenheid vormen met de rotonde en de overige kademuren. De oostoever zelf werd voorzien van een lagergelegen wilgenlaantje, direct aan het water, met zwem- en visgelegenheden.

Na de aanleg van de bruggen, de rotonde en de boulevard kwam hier de blikvanger van het ensemble: een modern, wit paviljoengebouw op een riant terras. Geheel in de traditie van de Dienst Publieke Werken en aansluitend op de brugontwerpen van P. Kramer van voor de Tweede Wereldoorlog.

J.W. Clerx, directeur van Publieke Werken, had in 1956 gesteld dat deze ruimte ‘in materiaal en kleur haar eigen accent in het geheel moest krijgen’. Bovendien moest het paviljoen nog prominenter in de ruimte staan door het optrekken van een ‘verticaal element van vrij belangrijke hoogte’, in de vorm van een klokken- en uitzichttoren die een prachtig uitzicht over de plas bood.

Het ‘stippenterras’ met de drie monumentale lantaarnpalen direct voor het paviljoen. Beeld  Stadsarchief Amsterdam
Het ‘stippenterras’ met de drie monumentale lantaarnpalen direct voor het paviljoen.Beeld Stadsarchief Amsterdam

Stippenterras

De ontwerper werd architect Dirk Slebos. Deze werkte sinds 1954 als vormgever van civieltechnische kunstwerken bij de Dienst Publieke Werken in Amsterdam, afdeling Bruggen, Bouwwerken en Waterbouw. In die hoedanigheid ontwierp hij in totaal 68 bruggen, brugwachtershuisjes, viaducten en sluiscomplexen. Hoewel Slebos de eerste ontwerpen al in de jaren vijftig had gemaakt, werden de meeste pas in het midden van de jaren zestig uitgevoerd.

Het geheel witte paviljoen bestond in zijn oorspronkelijke toestand uit twee niveaus, met op de begane grond een doorgang die de straat en het terras met elkaar verbond. Aan de zijkant bevond zich een brede trap naar boven, die uitkwam op een uitkijkterras waarop zich oorspronkelijk ook een kleine kiosk bevond.

Typerend was de strakke en zorgvuldige detaillering en vormgeving, uitgevoerd in een variatie van grijs-, wit- en zwarttinten. Alle kadewanden maakte Slebos van zwarte basaltblokken die hij had afgedekt met witte, betonnen dekplaten. Op het met zwart-witte cirkelvormige tegels bedekte ‘stippenterras’ direct voor het paviljoen plaatste hij drie monumentale lantaarnpalen met elk drie lichtarmaturen.

Basis voor de toren

Ondanks zijn geringe hoogte valt het krachtige profiel van het paviljoen en terras vanaf de plas gezien onmiddellijk op: het lijkt namelijk op een aangemeerd binnenvaartschip. De kadewal met de witte dekplaten en de brugleuning van roestvrij staal vormen de zijkant, het terras het dek, de lantaarnpalen de masten en het paviljoen de stuurhut. De denkbeeldige achtersteven krijgt extra nadruk door een inpandige trap die naar een ondergelegen aanleg- en vissteiger leidt.

Het paviljoen zelf werd eigenlijk gebouwd als een stevige basis voor de eerder genoemde uitkijktoren, waarvoor Slebos’ laatste ontwerp niet werd uitgevoerd. Interessant is dat de strakke vormgeving van het paviljoen- en torenontwerp lijkt te zijn overgenomen in het ontwerp van de traptorens van de achterliggende flatgebouwen van architect Piet Zanstra. Deze werden begin jaren zestig als een soort scheidingswanden tussen de noordelijke woonwijken van Slotermeer en de Sloterplas geplaatst.

Recreatiearchitectuur

Net als de Rotterdamse Euromast uit 1960 en de Scheveningse Pier uit 1961 is het paviljoen van Slebos een goed voorbeeld van naoorlogse recreatiearchitectuur: een fris, strak en nieuw stuk Amsterdam bedoeld om alle stadsbewoners te vermaken. Bij de oplevering begin in 1961 verwachtte men dat de boulevard ‘een van de fraaiste elementen in het kader van de moderne stad in West zal verwezenlijken.’

Eind jaren zeventig kwam er op het boventerras van het paviljoen een café. Na plannen om het paviljoen te integreren in een groot hotel, is het sinds 2021 in gebruik als restaurant. De unieke status en gave staat van het ensemble leidden ertoe dat de gehele noordoever van de Sloterplas in 2017 werd aangewezen als gemeentelijk beschermd stadsgezicht, een hoogtepunt in de naoorlogse stedenbouw van Amsterdam.

Dit is een bewerking van een verhaal uit het zomernummer van Ons Amsterdam.

Meer Slebos in de stad

Andere bekende objecten van Dirk Slebos in Amsterdam zijn het wisselwachtershuisje uit 1955 op het plein voor het Centraal Station dat later werd verplaatst naar de Museumtramlijn bij het voormalige Haarlemmermeerstation; de behuizing van het Vrijheidscarillon (1952) dat sinds 1960 op Plein ’40-’45 staat en het monumentale bruggencomplex aan het Open Havenfront uit 1964, bestaande uit de Kattenburgerbrug (brug 274) en de Kortjewantsbrug (brug 487).