PlusAchtergrond

Roofdieren in Amsterdam: de vossen eten uit je hand, de wezel heeft het moeilijk

Kleine roofdieren voelen zich thuis aan de randen van Amsterdam. Er is voedsel in overvloed en de meeste Amsterdammers worden blij van een vos of boommarter in de buurt.

Patrick Meershoek
De boommarter. Beeld Tzenko
De boommarter.Beeld Tzenko

De vos, de wezel en de boommarter heeft hij met eigen ogen gezien, voor de andere soorten was hij afhankelijk van de waarnemingen van anderen. “De vos kun je in het Westelijk Havengebied bij wijze van spreken met de hand voeren, maar de schuwe bunzing of hermelijn laat zich niet snel zien,” zegt bioloog Stijn Nollen, die het afgelopen jaar op verzoek van de gemeente de kleine roofzoogdieren in Amsterdam en omgeving in kaart bracht. “De kans om er een tegen te komen, wordt wel steeds groter.”

Want dat is het goede nieuws uit het onlangs verschenen rapport: de kleine roofdieren voelen zich thuis aan de randen van de stad. Zeker vergeleken met de cijfers van een halve eeuw geleden is het aantal waarnemingen van de vos en de grote en kleine marterachtigen spectaculair toeg. Dat heeft mede te maken met de beschermde status die de soorten sinds de jaren zeventig genieten, legt Nollen uit, maar ook met de sterk verbeterde registratie van de waarnemingen die in en rond Amsterdam worden gedaan, onder meer met behulp van wildcamera’s.

Jonge dwaalgasten

Het onbetwiste succesnummer onder de stadsroofdieren is de vos. Van een sporadische melding tot 1970 is het aantal waarnemingen gegroeid tot 1548. Nollen: “Alle beschikbare habitats rond de stad zijn nu bezet door naar schatting 120 tot 200 dieren. Het zijn met name de groengebieden waar ze voldoende rust en ruimte kunnen vinden. Er komen geregeld meldingen binnen over jonge dwaalgasten die zoekend naar een territorium plots in de stad opduiken. Dat is niet zonder risico, maar van de mens hebben ze weinig te duchten. Amsterdammers houden van vossen.”

Zeldzamer zijn de boommarter en de steenmarter. Het aantal boommarters in en rond de stad wordt geschat of vijf tot tien paartjes die zich met name ophouden in De Bretten, het Amsterdamse Bos en Waterland. Nollen: “De boommarter is in 2014 voor het eerst gezien. We weten dat in de Diemer Vijfhoek ook jongen zijn geboren. De steenmarter heeft zich voortgeplant in het Geuzenbos en in een manege bij het Schinkelbos. We schatten de populatie van die soort nu op een tot vijf paartjes, maar verwachten dat dat er meer worden.”

Autokabels doorgebeten

Met name de steenmarter heeft de wind in de rug als stadsdier, weet de bioloog. “De dieren die nu hier leven komen uit Duitsland. Het is een ecotype dat zich goed heeft aangepast aan het leven in een stedelijke omgeving. In Boedapest leven ze midden in de stad.” Het zijn ook weer geen ideale buren: uit Duitsland komen verontrustende berichten over autokabels die worden doorgebeten omdat ze naar visolie ruiken en het voedsel dat de marter bewaart voor slechte tijden kan vreselijk gaan stinken. Nollen: “Een marter in huis is geen pretje, maar ze zijn wel beschermd.”

Minder gunstig zijn de vooruitzichten voor de kleine marterachtige: de wezel, de hermelijn en de bunzing. Van de wezel wordt het aantal in en rond de stad levende dieren geschat op 100 tot 200 paartjes. Die laten zich geregeld zien, maar de soort maakt een moeilijke tijd door. “In het hele land is sprake van een neerwaartse trend. Voor 2010 werd de wezel nog wel gezien in het Westerpark en Rembrandtpark, maar dat is voorbij. Een oorzaak kan de beschikbaarheid van voedsel zijn. Het dieet van de wezel bestaat voor een belangrijk deel uit woelmuizen.”

Dodelijke konijnenziekte

Ook de hermelijn heeft een voedselprobleem sinds de uitbraak in 2016 van een dodelijke ziekte onder konijnen. Nollen: “De hermelijn moet het hebben van jonge konijnen, ratten en woelmuizen en heeft het moeilijk. De vermoedelijke populatie ligt tussen de 50 en de 100 paartjes, maar de trend is negatief.” Dat laatste geldt ook voor de bunzing die zich als enige roofdier altijd in en rond de stad heeft kunnen handhaven. De populatie kan zich meten met die van de hermelijn, maar ook de bunzing zit in de lift naar beneden.

Wat dat betreft, geeft het rapport een wisselend beeld. Toch is er een rode draad zichtbaar: het dier dat zich het beste kan aanpassen, voelt zich thuis in Amsterdam. Nollen: “Als je voor je voedsel afhankelijk bent van woelmuizen of konijnen, maakt dat kwetsbaar. Als je ook patat eet of andere etensresten van de mens is Amsterdam een luilekkerland. Ik zat in de zomer ‘s avonds in het Westerpark nog een beetje te luieren toen er een vos op zijn gemak voorbij kwam lopen om wat achtergebleven restjes van de barbecue soldaat te maken. Kijk, dat is aanpassen.”

Meer over