Schaduwen op het Olympiaplein, het gedenkteken aan de razzia van 20 juni 1943.

PlusAchtergrond

Overlevende: ‘Die razzia hadden we niet zien aankomen’

Schaduwen op het Olympiaplein, het gedenkteken aan de razzia van 20 juni 1943.Beeld Daphhe Lucker

Op 20 juni 1943 vond een van de laatste grote razzia’s plaats in Amsterdam-Zuid en -Oost waarbij 5500 Joden werden weggevoerd naar Westerbork. De destijds achtjarige Rudolf was een van hen. Op het Olympiaplein wordt maandag het gedenkteken Schaduwen onthuld.

Hanneloes Pen

In alle vroegte schalde het zondagochtend 20 juni 1943 uit luidsprekers in Zuid en Oost, de Amsterdamse buurten waar de meeste Joden woonden: de razzia werd aangekondigd. De ‘opbrengst’ van een eerdere razzia was de Duitsers tegengevallen – veel Joden waren al ondergedoken. De overval, waarbij de wijken werden afgezet en waaraan Duitse en Nederlandse politieagenten meededen, was in het geheim gepland.

De nu 87-jarige Rudolf maakte het mee en wil zijn verhaal vertellen, op één voorwaarde: zijn achternaam mag niet in de krant. Ook namen van andere slachtoffers mogen niet in het interview. Om privacyredenen, zegt hij stellig.

“Die razzia van 20 juni hadden we niet zien aankomen,” zegt Rudolf, die met zijn ouders in de Anthonie van Dijckstraat in Zuid woonde. “Mijn grootouders op wie ik zo gek was, en zij op mij, waren al weggehaald. Evenals het gezin van de oom die bij hen inwoonde.”

Het gezin van Rudolfs ouders was in de zomer van 1943 nog niet gedeporteerd omdat Rudolfs vader, die procuratiehouder bij een bank was geweest, voor het gezin een zogenoemde Sperre had wegens een baantje bij de Joodsche Raad. Toch stonden de rugzakken al klaar in de gang. “Mijn vader was van plan een van die dagen een plank te timmeren voor een houten wand om daarachter familiefoto’s te kunnen verbergen. En toen stonden die zondagochtend ineens twee lui van de Grüne Polizei en een Nederlander voor de deur.”

Huissleutel

Een van de mannen, ‘een niet al te grote man in leren jas’, ziet hij nog haarscherp voor zich. “Ik weet nog goed dat ik van mijn moeder een glas melk moest opdrinken. Toen ik daarbij melk op de grond morste zei ze: ‘Dat geeft niets hoor.’ Dat maakte zo’n indruk op me. Mijn moeder zuchtte toen ze de man de huissleutel overhandigde, waarop hij opmerkte: ‘Ik begrijp het mevrouw.’ Verder werd er niets gezegd.”

Met zijn ouders liep hij naar het Olympiaplein waar ze zich moesten verzamelen. “Uren moesten we daar wachten. Tja, wat ziet een jongetje van acht voor zich? Ik dacht er niets van. Ik wist natuurlijk wel dat het erg was als ze je kwamen ophalen. Ik was ook niet verbaasd dat ik mensen zag huilen.”

In een overvolle tram werden ze naar het Muiderpoortstation gebracht en diezelfde dag naar Westerbork, waar ze acht maanden verbleven. Op 15 februari 1944 gingen ze op transport naar Bergen-Belsen. “Mijn vader zei: ‘We gaan naar een iets beter kamp.’ Ik kon me daar natuurlijk niets bij voorstellen. Ik had geen idee wat er in de erge kampen gebeurde.”

Zijn vader had het idee dat de oorlog niet lang meer zou duren. “Toen Hitler Rusland binnenviel, zei hij al: ‘Wat Napoleon niet kon, kan Hitler ook niet’.”

Bunkerstraf

Rudolfs vader zou het einde van de oorlog niet halen. In het kamp moest hij in buitencommando’s hout hakken en had hij een tijd een baantje als poortwachter. Hij had toen niet opgemerkt dat gevangenen aardappelschillen uit de keuken stalen. “Hij kreeg tien dagen zogeheten bunkerstraf en heeft daar een enorme knauw aan overgehouden. Hij heeft nog een paar maanden geleefd en stierf uiteindelijk, eind januari 1945, van uitputting.”

Zijn moeder stierf ruim een maand later. “Ze had dysenterie en oedeem. Ik was bij haar en zag haar doodgaan. Ik moest zo vreselijk huilen.”

Een tante en een oom die met hun kinderen ook in Bergen-Belsen zaten, vingen hem op. Het kamp werd op 15 april 1945 door de Britten bevrijd. Vlak voor de bevrijding werden duizenden gevangenen door de Duitsers op transport gezet. De trein, die later ‘het verloren transport’ zou gaan heten, reed zo’n twee weken door Duitsland en werd uiteindelijk bevrijd door de Russen bij het dorpje Tröbitz.

“We moesten naar Tröbitz lopen, maar ik voelde me niet goed. Mijn oom besloot met zijn gezin vooruit te gaan en zou me de volgende dag ophalen. Ik zat die nacht naast het dode lichaam van een verpleegster. De volgende dag kon mijn oom me onverwachts niet halen.”

Naar een tante

Uiteindelijk brachten de Russen hem naar een ziekenhuis en kwam hij in het bevrijde krijgsgevangenenkamp Mühlberg terecht, vanwaar hij enkele weken later naar Nederland werd gerepatrieerd. Op 30 juni werd hij naar het door hem opgegeven adres van een tante van moederskant gebracht.

In het gezin van zijn tante is hij blijven wonen totdat hij klassieke talen aan de Universiteit van Amsterdam ging studeren. “Ik kon geweldig goed opschieten met mijn tante. Ze heeft me ook naar een psycholoog gestuurd aan wie ik mijn verhaal kwijt kon.”

Rudolf vindt dat hij ‘mazzel’ in zijn leven heeft gehad. “Ik had een fantastische jeugd bij mijn ouders. Zij hebben me een enorme basis gegeven. Ik ben fantastisch opgevangen door mijn tante. Ik heb gestudeerd, brood gevonden en twee leuke kinderen gekregen,” zegt Rudolf, die leraar klassieke talen op een middelbare school is geweest.

De visie van de Joodse schrijver Abel Herzberg, die ook in Bergen-Belsen en de Tröbitztrein zat, hielp hem door het leven. Herzberg vond dat de onmenselijke daden van de Jodenvervolgers niet alleen een Duits probleem was, maar een menselijk probleem.

“Zijn visie spreekt me aan. Hij sprak met redelijkheid over de Duitsers, tot aan de bewakers toe, en bracht zelfs begrip voor de andere kant op. Je moet niet generaliseren. Vergeven zit er bij mij niet in, maar Herzbergs zienswijze is goed voor mijn eigen gemoedsrust.”

De foto van Joden die zich tijdens de razzia van 20 juni 1943 op het Olympiaplein meldden. Het gedenkteken op het plein is gebaseerd op deze foto. Beeld Niod
De foto van Joden die zich tijdens de razzia van 20 juni 1943 op het Olympiaplein meldden. Het gedenkteken op het plein is gebaseerd op deze foto.Beeld Niod

‘Laat de mensen even bij hen stilstaan’

Het Olympiaplein krijgt maandag een gedenkteken dat herinnert aan de razzia van 20 juni 1943. Op die dag zijn in Amsterdam-Zuid en -Oost 5500 Joden weggevoerd. Kunstenaar Ram Katzir maakte het gedenkteken dat de titel Schaduwen heeft gegeven.

De schaduwen waarop het kunstwerk is gebaseerd zijn die van de Joden die staan afgebeeld op een foto die werd gemaakt door de NSB’er Herman Heukels die de deportaties vastlegde voor de Duitsers. Het ontwerp kwam tot stand in samenwerking met drie scholieren van het Amsterdams Lyceum.

Wie was dat jongetje op het Olympiaplein?

Historisch onderzoeker Gerben Post maakte bij het gedenkteken op het Olympiaplein een educatieproject voor kinderen van groep 8 van het basisonderwijs en leerlingen van middelbare scholen in Zuid. Tijdens het project analyseren zij in de klas een foto die de NSB’er Herman Heukels van de razzia heeft gemaakt. Op de foto staat een jongetje van een jaar of acht, negen die slachtoffer is van de razzia van 20 juni 1943.

Leerlingen beantwoorden vragen over de identiteit van de jongen, de betekenis van de Jodenster op zijn jas en de gevolgen van de razzia. Ook kunnen de leerlingen op joodsmonument.nl lezen over andere jongeren die bij de razzia’s werden afgevoerd.

Ten slotte bekijken ze het gedenkteken. “Wat betekenen de schaduwen? Welk gevoel geven ze je? Moeten we de mensen herdenken? Het project moet bewustwording creëren bij jongeren,” zegt Gerben Post, die gespecialiseerd is in de Jodenvervolging in Nederland. “Een Joods gezegde luidt: Je bent pas vergeten als je niet meer wordt genoemd. Maar we weten niet hoe dat jongetje heet. Zijn we hem daarmee vergeten?”

Meer over