PlusReportage

Op de covidafdeling van het Amsterdam UMC: ‘Het lieve personeel hier, daar overleef ik op’

 Verpleegkundige Nick Luchtmeijer let op de hartslag en ademfrequentie van coronapatiënt Jan-Jaap In der Maur. Beeld Marc Driessen
Verpleegkundige Nick Luchtmeijer let op de hartslag en ademfrequentie van coronapatiënt Jan-Jaap In der Maur.Beeld Marc Driessen

Achter rood-witte linten en waarschuwingsborden ligt een wereld waar patiënten, verpleegkundigen en dokters het samen moeten rooien: de covid-verpleegafdeling. ‘Het is zo’n onvoorspelbare ziekte.’ Een dag op de covidunit van Amsterdam UMC.

Jan-Jaap In der Maur (55) kan kort zijn over het coronavirus: ‘Het is een klerelijer’. Hij ligt in bed op de covidverpleegafdeling van Amsterdam UMC, maximaal aan de zuurstof en vraagt zich doorlopend af: ‘Hoelang nog?’. Tussen de beterschapskaartjes op een prikbord hangt een foto van vóór zijn covidinfectie, waarop hij als dagvoorzitter, strak in het pak, congresgangers toespreekt. Ernaast een kaartje van zijn dochter: ‘Lieve pap, ik mis je echt heel erg’.

In der Maur kreeg bovenop covid een bacteriële longinfectie die hem nog zieker maakte. Het was kantje boord. “Er waren momenten dat ik dacht dat ik dood zou gaan.” Na de gevaren­zone kwam de wanhoop. “Ik was zowel lichamelijk als geestelijk uitgeput. Ik kon alleen maar liggen en huilen.”

Te weinig zuurstof

Inmiddels, na 3,5 week opname, is hij in het stadium dat hij ‘elke vorm van verwachting heeft losgelaten’, want elke keer als hij een beetje opkrabbelt, krijgt hij ook weer een terugslag. “Het is zo’n onvoorspelbare ziekte.” Nu teert hij op dagelijkse hoogtepunten. “Het lieve personeel hier, daar overleef ik op.” Het bezoek van zijn vrouw, die elke dag iets lekkers meeneemt: gisteren pizza met tonijn en vandaag Griekse ­salade. “Eigenlijk doe ik het makkelijke werk. Ik lig hier maar.”

Hoogtepunt van de afgelopen weken was het bezoek van zijn dochters van 10 en 12 jaar. ­“Gewoon op bed zitten, tegen elkaar aan. Dat was zo fijn.” Een hoogtepunt van een andere ­orde: “Als mijn haren worden gewassen,” zegt In der Maur terwijl hij door zijn vette haar wrijft. “Je realiseert je niet hoe fijn het voelt om fris en schoon te zijn, totdat je in het ziekenhuis ligt waar je niet uit bed kan om te douchen.”

Want bewegen, hoe graag hij ook wil, mag nog niet. “De fysiotherapeut zegt: als je beweegt, gebruiken je spieren zuurstof. En die zuurstof heb je veel te hard nodig voor andere dingen.”

Uitzonderlijk goede dag

Niet mogen bewegen om zuurstof te sparen voor vitale organen, dat is één van de harde boodschappen hier. Ook met praten kun je kostbare zuurstof verspillen, weet verpleegkundige Nick Luchtmeijer (24), die naast In der Maur zit en de monitor met hartslag, ademfrequentie en zuurstofgehalte in het bloed in de gaten houdt. “Je bent nu al een kwartier aan het praten zonder dat je waardes pieken.” In der Maur buigt zich voorover en kijkt mee. “Je treft me op een uitzonderlijk goede dag. Normaal beginnen na tien minuten alle apparaten te piepen.”

Buiten de klapdeuren met rood-witte linten is er optimisme over dalende besmettingen en lagere opnamecijfers, maar de afdeling op interne geneeskunde ligt met veertien covidpatiënten vol. Dit is een van de vier covidunits van Amsterdam UMC. Verzuim is een groot probleem en daarbij heeft hoofdverpleegkundige Priscilla de Kruijs het idee dat de patiënten op de af­deling de laatste weken toch zieker zijn dan in het begin van de tweede golf. “We hebben veel ­patiënten liggen met maximaal zuurstof, randje ic.”

Omdat Amsterdam lange tijd een coronabrandhaard was, moesten vanuit deze regio veel patiënten worden overgeplaatst naar andere ziekenhuizen in het land. “De meest zieke patiënten, met veel onderliggende andere ziektes, blijven dan liggen omdat vervoer te veel risico’s geeft.” Dat geeft, zeker in deze onderbezette tijden met veel zieke medewerkers, extra druk.

Maagsonde inbrengen

De hoop is dat een intensievere samenwerking met huisartsen verlichting gaat brengen. Een deel van de patiënten wordt sinds deze week eerder uit het ziekenhuis ontslagen om thuis onder de zorg van de huisarts uit te zieken en te herstellen. Dat moet de druk op de ziekenhuizen verlichten.

Het is 7.40 uur als Luchtmeijer zich achter zijn monitor inleest in ‘zijn’ drie patiënten voor ­vandaag. Hij verpleegt een vijftiger die van de ic komt, goed in zijn zuurstof zit, maar vanwege het middel dexamethason een ontregelde glucose heeft. “Dat moet goed in de gaten worden gehouden,” zegt hij tegen leerling-verpleegkundige Ali Kodad (22). Patiënt twee is een oudere dame, met covid en een klaplong, die dusdanig is opgeknapt dat ze vandaag naar huis mag. Tot slot ligt er nog een mevrouw van boven de tachtig die erg instabiel en nauwelijks aanspreekbaar is. Behalve met covid ligt ze ook met een bacteriële longinfectie op de afdeling.

Als Luchtmeijer en Kodad de zaal opgaan, zien ze dat de vrouw de slangetjes van de voedingssonde uit haar mond heeft getrokken. Het zit er nog wel, maar scheef. Het is een van de vele klussen van de dag: het opnieuw inbrengen van de maagsonde.

Doorligwonden

De verpleegkundigen delen medicijnen uit, ze prikken bloed, leggen infusen aan, overleggen met de artsen, rapporteren in patiëntendossiers en wassen patiënten. “Dat is niet alleen om ­iemand te verfrissen, maar ook meteen om de ­patiënt goed te kunnen beoordelen.” Een van de patiënten blijkt drie doorligwonden te hebben, op de hielen en het stuitje.

En dan is er wondverzorging, het regelen van een goed matras, een kussen onder de voeten leggen om spitsvoeten te voorkomen, bloeddruk meten, saturatie meten, geruststellen en soms invliegen voor een noodgeval.

Tekst gaat verder onder de foto

 Verpleegkundige Nick Luchtmeijer in overleg met een collega. Beeld Marc Driessen
Verpleegkundige Nick Luchtmeijer in overleg met een collega.Beeld Marc Driessen

Afgetrapte klompen

“Nick, kun je me even komen helpen,” vraagt een collega-verpleegkundige. Een hoogbejaarde verwarde vrouw moet aan de dialyse, maar ze wil geen mondkapje op. Haar magere vingers heeft ze stevig om het mondkapje geklemd. Luchtmeijer buigt zich naar haar toe. “Wilt u naar de dialyse?” Ze knikt. “U mag niet de gang op zonder kapje,” zegt Luchtmeijer. “Geen kapje,” mompelt de vrouw bijna onverstaanbaar. Luchtmeijer probeert het even, maar geeft ook snel weer op. “We weten het, ­lieverd. U doet het hartstikke goed. We komen zo terug.”

Als Luchtmeijer de kamer uitloopt zegt de vrouw ferm: “Dat moet je wel doen dan.” Later die dag wordt ze zonder problemen en mét mondkapje naar de dialyse gereden.

Luchtmeijer loopt op versleten witte klompen terug naar zijn patiënten. “Diederik Gommers heeft ook afgetrapte klompen, zag ik laatst op ­televisie.”

Angstaanjagende ziekte

Hij is terug op de kamer waar de patiënt van ­circa vijftig ligt te hoesten. “Hoesten, hoesten, hoesten, hè,” zegt Luchtmeijer. De man is pas een paar dagen van de ic. Hij vindt het een angstaanjagende ziekte. “Het ging allemaal zo snel. Omdat ik kortademig was, heb ik een ambulance gebeld. Voor ik het wist, lag ik op de spoedeisende hulp waar ze me hebben geïntubeerd. Daarna kwam ik op de ic terecht. Daar lig je dan, als mens alleen met je schepper in een wereld waar je niemand kent. Mijn herinnering is pikzwart en angstig.”

Vier dagen geleden is hij wakker geworden en mocht hij naar de covidverpleegafdeling. “Nu ben ik uitgeput. Geen adem, geen energie. Komt dit ooit nog goed?”

Zuurstoftank

Morgen mag hij al naar huis, waar de huisarts de behandeling overneemt, iets wat de patiënt zelf een beetje eng vindt. “Heeft u thuis mensen die u kunnen helpen met wassen en eten?” vraagt Luchtmeijer. De man, echtgenoot en ­vader, denkt van wel. Luchtmeijer bestelt een zuurstoftank die bij de patiënt thuis wordt bezorgd, de man krijgt een apparaatje mee waarmee hij zelf driemaal daags de zuurstof in het bloed kan meten. Elke dag moet hij de uitkomst aan zijn huisarts doorgeven. Ook krijgt hij de ­ontstekingsremmer dexamethason en moet de thuiszorg komen om zijn schommelende glucose in de gaten te houden.

Even later loopt de patiënt schuifelend in ­pyjama en op sloffen over de gang, de infuuspaal als enig houvast. “Het gaat goed, hè,” zegt Luchtmeijer. Hij steekt zijn duim omhoog. De man knikt, nog lang niet overtuigd. Hij schuifelt terug naar zijn bed waar hij zwaar ademend op de rand gaat zitten. “Ik ben kapot.”

Meer over