Nieuws

Noord-Holland maakt als eerste provincie excuses voor het slavernijverleden

In navolging van de grote steden en de banken heeft de provincie Noord-Holland vrijdag excuses aangeboden voor het slavernijverleden.

Patrick Meershoek
Commissaris van de Koning Arthur van Dijk. Beeld ROBIN VAN LONKHUIJSEN/ANP/HH
Commissaris van de Koning Arthur van Dijk.Beeld ROBIN VAN LONKHUIJSEN/ANP/HH

De excuses werden aangeboden bij de opening van een tentoonstelling over het koloniaal verleden in het provinciehuis in Haarlem, op de dag dat de afschaffing van de slavernij wordt herdacht en gevierd. Commissaris van de Koning Arthur van Dijk greep de gelegenheid aan om namens de provincie Noord-Holland excuses aan te bieden ‘aan de nazaten van de tot slaaf gemaakten, excuses voor wat onze gezagsdragers toen hebben aangericht in het leven van onschuldige mensen’.

Noord-Holland is de eerste provincie die overgaat tot het maken van excuses voor het koloniaal verleden. In het afgelopen jaar gebeurde dat ook al door de gemeentebesturen van Amsterdam, Rotterdam en Utrecht, terwijl Den Haag dat gebaar heeft aangekondigd. Vrijdag bood De Nederlandsche Bank excuses aan voor het aandeel in slavenhandel en slavernij, eerder dit jaar deed ABN Amro dat al.

Bloedgeld

In een studie over het koloniaal verleden van ABN Amro vielen harde woorden over Henry Hope, de neef van Thomas Hope die geldt als oprichter van de bank Hope & Co. Henry Hope is de belangrijkste schakel tussen de provincie en het slavernijverleden. De Amsterdamse bankier liet in 1857 in Haarlem Paviljoen Welgelegen bouwen, het huidige provinciehuis.

De bank van de familie Hope vervulde als verstrekker en beheerder van leningen een spilfunctie in de financiering van plantages in Suriname en het Caribisch gebied. “Welgelegen is met veel vakmanschap en passie gebouwd,” zegt commissaris Van Dijk in een toelichting. “Dat moest ook de rijkdom van Henry Hope etaleren. Tegenwoordig zouden we spreken van bloedgeld.”

Het provinciebestuur nam in 1930 zijn intrek in het buitenverblijf. Voor die tijd diende het gebouw onder meer als woning van Lodewijk Napoleon en onderkomen van een Koloniaal Museum. Van Dijk spreekt van een erfenis waarmee het provinciebestuur zorgvuldig wil omgaan. “Er is in ons geval geen sprake van schuld, wel van een verantwoordelijkheid om dit deel van het verleden te kennen en te erkennen.”

Dat gebeurt onder meer door een nieuwe tentoonstelling die de verborgen sporen van slavernij in de provincie belicht. Van Dijk: “Die sporen zijn niet alleen in Amsterdam te vinden. We kennen ook de buitenplaats Beeckestijn in Velsen van de familie Trip, bestuurders van de West-Indische Compagnie. In Enkhuizen staat het Snouck van Loosenhuis. De eigenaars regelden slaventransporten van Afrika naar Suriname en Curaçao.”

Motie van Denk

Van Dijk hoopt dat de excuses het startsein vormen voor een gesprek over het koloniaal verleden. “Zeker voor de overheid geldt dat we het soms moeilijk vinden gevoelige onderwerpen, zoals het slavernijverleden, aan te roeren uit angst om verkeerd te worden begrepen. Het is mijn ervaring dat het bevrijdend kan werken als mensen het gesprek met elkaar aangaan en bereid zijn naar elkaar te luisteren.”

Het hele proces werd in gang gezet door een motie uit 2020, ingediend door Denk en aangenomen door een meerderheid van de Statenleden. Van Dijk: “Normaal zeggen we dan dat we de motie als afgedaan beschouwen. Maar wat mij betreft wordt deze motie nooit afgedaan. We gaan hem inlijsten en ophangen, als een geheugensteuntje dat er nog veel moet gebeuren.”

Luister naar de podcast Amsterdam wereldstad

Meer over