PlusGeschiedenis

Na de Allerheiligenvloed van 1570 bleef bij Schellingwoude een meertje achter

Luchtfoto uit 1979, met in het midden de tijdens de Allerheiligenvloed van 1570 ontstane Schellingwouderbreek. Beeld Stadsarchief
Luchtfoto uit 1979, met in het midden de tijdens de Allerheiligenvloed van 1570 ontstane Schellingwouderbreek.Beeld Stadsarchief

Bij de Allerheiligenvloed van 1570 brak bij Schellingwoude de Waterlandse Zeedijk door. Een meertje bleef achter: de Schellingwouderbreek.

Jeannette van der Stelt en Koen Kleijn

Op de eerste dag van november 1570, Allerheiligen, stak er een storm op uit het noordwesten ‘met zoo fel een bulderen’ dat ‘weenigh dyken oft sluyzen, daar men zich teeghens zulk geweldt meê waapent, den stoot konden uitstaan.’ Zo beschrijft Pieter Cornelisz. Hooft in zijn Nederlandsche Historien (1642) het geweld van de Allerheiligenvloed van 1570. Mensen werden ‘in ’t bedde verrast’, dieren verdronken in hun stal of op het veld, complete huizen ‘van hunne plaatsen versleept en elders aangezet’.

Met een stormvloedhoogte van vier meter boven NAP was de Allerheiligenvloed van 1570 de hoogste aller tijden in Nederland. De Watersnoodramp van 1953 bleef daar met 3,75 meter boven NAP nog ruim onder. De Diemerdijk tussen Muiden en Amsterdam bezweek, heel Amstelland liep onder en achter de doorgebroken dijk bij Schellingwoude sleet het kolkende water een diep gat uit. Toen de dijk was hersteld, bleef er een meertje achter: de Schellingwouderbreek. Er was geen geld om het te dempen of droog te malen.

Schellingwoude bestond al in 1276 en vormde aanvankelijk samen met Buiksloot en Durgerdam een zogeheten ban, een bestuurlijke eenheid. De bestuurlijk zetel was Schellingwoude, waar ook recht werd gesproken. Buiksloot en Schellingwoude raakten in 1514 van elkaar gescheiden door een breuk in de dijk. In 1516 herstelde de ban Zunderdorp de dijk en stichtte op die plek Nieuwendam.

Dijkplichtigen

Herstel van een dijkdoorbraak was sinds mensenheugenis in Waterland de verantwoordelijkheid van alle ingelanden, de grondbezitters en de pachters achter de dijk. Dijkonderhoud daarentegen ging volgens het stelsel van verhoefslaging. In dat stelsel hadden boeren met land aan de dijk een dijkplicht: zij moesten hun deel van de dijk op hoogte en sterkte houden. Dijkplichtigen hadden het recht het land dat buiten de dijk aanslibde in te polderen of af te graven voor eigen gebruik, bijvoorbeeld voor dijkonderhoud.

Waterland en het gebied rond de IJoevers waren in 1568 het toneel geweest van oorlogshandelingen tussen Spanjaarden en geuzen. Schellingwoude, Ransdorp en de andere dorpen wierpen schansen op tegen de piraterij van de geuzen die later tegen de Spanjaarden werden gebruikt, toen de Waterlanders partij kozen voor de Opstand. Voor aanleg van de schans bij de Schinkelhoek bij Schellingwoude was veel grond nodig geweest en die was ‘voordijks’ gewonnen. Dat buitendijkse land beschermde de dijk echter tegen de golfslag van de zee en het afgraven van die grond had de dijk extra kwetsbaar gemaakt – met rampzalige gevolgen.

Na de ramp van november 1570 gingen veel dijkplichtigen failliet. Hun bouwland was weggespoeld of onvruchtbaar geworden, hun vee verdronken. Buitendijks mochten zoden worden gestoken voor het herstel van de dijk, maar bij Schellingwoude lag geen grond meer. Monnickendam en Purmerend en de dorpen Purmerland en Ilpendam vroegen ontheffing van de verplichting om mee te betalen. Ze hadden de handen vol aan het herstel van hun eigen binnendijken, zeiden ze, en ze beriepen zich op oude stedelijke privileges.

Schellingwoude op een kaart van Bart Simonsz. uit circa 1590 met linksboven de de Schellingwouderbreek (hier nog de Grote Breeck). Beeld Stadsarchief
Schellingwoude op een kaart van Bart Simonsz. uit circa 1590 met linksboven de de Schellingwouderbreek (hier nog de Grote Breeck).Beeld Stadsarchief

Na nieuwe watersnoden in 1577, 1579 en 1580 kregen de verarmde Schellingwouders het onderhoud niet op orde en tekenden verzet aan bij het Hof van Holland. Het stelsel van verhoefslaging was onredelijk, betoogden zij: ook de Waterlanders die zich bezighielden met handel of zeevaart hadden belang bij een solide dijk, zij dienden dus ook aan het onderhoud bij te dragen. Bovendien zou de veiligheid verbeteren als het onderhoud een gezamenlijke taak was.

Protest bij de Staten

In april 1581 vaardigde de nieuwe landsheer, Willem van Oranje, een ordonnantie uit waarin hij vaststelde dat Waterland door ‘quade reparatie’ was ondergelopen en de Waterlanders opriep gezamenlijk de kosten van het herstelwerk te dragen. De ingelanden kregen opdracht met aarde ‘het ingebrooken gadt’ van de Schellingwouderdijk te vullen. De onderhoudskosten bleven voor de dijkplichtigen in Schellingwoude. Die tekenden protest aan bij de Staten van Holland: gezamenlijk onderhoud van de zeedijk moest de norm worden.

In 1589 braken de Schellingwouderdijk en de Kinseldijk weer door. Ook nu ontbrak de politieke wil om het stelsel te wijzigen. In 1610 herhaalde zich dat allemaal nog eens. De twee steden en de meeste dorpen in Waterland bleven vasthouden aan het oude stelsel en de Staten verwezen de Schellingwouders steevast naar het Hof van Holland.

Dat hof gaf hen in 1658 eindelijk gelijk, nadat de dorpsregenten daar nogmaals tegenover de magistraten van de steden en dorpen in Waterland hadden gestaan. Een jaar later vonniste ook de Hoge Raad ten gunste van Schellingwoude en viel het besluit tot de definitieve ‘gemeenmaking’ van de Waterlandse Zeedijk. De kosten moesten voortaan worden verrekend met het bezit, het inkomen en de belastingopbrengst van alle partijen in het gebied.

De vlag kon uit. De steeds grootschaliger organisatie van de waterstaat leidde tot een almaar betere verdeling van de macht van steden en dorpen. Toch werd over de kosten van zoden en paalwerk nog gedurende een aantal generaties gesteggeld.

Ook bij de dijkdoorbraak in 1916 lag de schuld bij gebrekkig onderhoud en een verbrokkelde organisatie. Pas in 1936 gingen de kleine bannen op in het Hoogheemraadschap Waterland.

De dijk bij Schellingwoude in 1818 op een tekening van Gerrit Lambertsz. Beeld
De dijk bij Schellingwoude in 1818 op een tekening van Gerrit Lambertsz.

Na de ramp van november 1570 gingen veel dijkplichtigen failliet. Hun bouwland was weggespoeld of onvruchtbaar geworden, het vee verdronken. Buitendijks mochten zoden worden gestoken voor het herstel van de dijk, maar bij Schellingwoude lag er geen grond meer. Monnickendam en Purmerend en de dorpen Purmerland en Ilpendam vroegen ontheffing van de verplichting om mee te betalen. Ze hadden de handen vol aan het herstel van hun eigen binnendijken, zeiden ze, en ze beriepen zich op oude stedelijke privileges.

Na nieuwe watersnoden in 1577, 1579 en 1580 kregen de verarmde Schellingwouders het onderhoud niet op orde en tekenden verzet aan bij het Hof van Holland. Het stelsel van ‘verhoefslaging’ was onredelijk, betoogden zij: ook de Waterlanders die zich bezighielden met handel of zeevaart hadden belang bij een solide dijk, zij dienden dus ook aan het onderhoud bij te dragen. Bovendien zou de veiligheid verbeteren als het onderhoud een gezamenlijke taak was.

Ordonnantie

In april 1581 vaardigde de nieuwe landsheer, Willem van Oranje, een ordonnantie uit waarin hij vaststelde dat Waterland door ‘quade reparatie’ was ondergelopen en de Waterlanders opriep gezamenlijk de kosten van het herstelwerk te dragen. De ingelanden kregen opdracht met aarde ‘het ingebrooken gadt’ van de Schellingwouderdijk te vullen. Maar de onderhoudskosten bleven voor de dijkplichtigen in Schellingwoud, die protest aantekenden bij de Staten van Holland: gezamenlijk onderhoud van de zeedijk moest de standaard worden.

In 1589 braken de Schellingwouderdijk en de Kinseldijk weer door. Ook nu ontbrak de politieke wil om het stelsel te wijzigen; in 1610 herhaalde zich dat allemaal nog eens. De twee steden en de meeste dorpen in Waterland bleven vasthouden aan het oude stelsel, en de Staten verwezen de Schellingwouders steevast naar het Hof van Holland. Het Hof gaf hen eindelijk gelijk in 1658, toen de dorpsregenten daar nogmaals tegenover de magistraten van de steden en dorpen in Waterland stonden.

Een jaar later vonniste ook de Hoge Raad ten gunste van Schellingwoude. In december viel het besluit tot de definitieve ‘gemeenmaking’ van de Waterlandse Zeedijk. De kosten moesten voortaan worden verrekend met het bezit, het inkomen en de belastingopbrengst van alle partijen in het gebied. De vlag kon uit. De steeds grootschaligere organisatie van de waterstaat leidde tot een steeds betere verdeling van de macht van steden en dorpen, maar over de kosten van zoden en paalwerk werd nog generaties lang gesteggeld.

Ook bij de dijkdoorbraak in 1916 lag de schuld bij gebrekkig onderhoud en een verbrokkelde organisatie. Pas in 1936 gingen de kleine bannen op in het Hoogheemraadschap Waterland.

Meer over