PlusExclusief

Mr. Ajax Sjaak Swart: ‘Je kunt geen Amsterdammer worden, dat moet je zijn’

Sjaak Swart bij voetbalclub Zeeburgia.
Sjaak Swart bij voetbalclub Zeeburgia. "Sinds 1984 woon ik in Diemen, net over de grens. Vijf minuten wandelen van het oude Ajaxstadion, De Meer. Het is gewoon Amsterdam.”Beeld Erik Smits

Wie is Amsterdamser dan Sjaak Swart, oftewel Mr. Ajax? Ze willen zelfs een standbeeld van hem bouwen. ‘Ik vind dat raar, het is meer iets voor als je dood bent.’

Robert Vuijsje

Van tevoren had Sjaak Swart gezegd: “Het is in Aalsmeer. Klinkt ver weg, maar het is vlak bij Amsterdam, hoor.” Het kantoor van Players United, zijn agentschap in voetballersbegeleiding, ligt inderdaad aan de rand van het Amsterdamse Bos.

Waarom zei u zo nadrukkelijk dat het vlak bij Amsterdam ligt?

“Ik blijf een Amsterdammer. Geboren in Muiden, maar met tweeënhalf verhuisd naar de Sumatrastraat. Daar was mijn schooltijd, in de oorlog. Later verhuisden we naar de Dapperbuurt, de Reinwardtstraat.”

Het lijstje maakt hij snel af: “En sinds 1984 woon ik in Diemen, net over de grens. Vijf minuten wandelen van het oude Ajaxstadion, De Meer. Het is gewoon Amsterdam.”

In het leven van Sjaak Swart gaat alles om Ajax, hij is al 73 jaar lid. Bij het maken van een afspraak noemt hij de wedstrijden op die de club speelt tijdens die week. Zijn planning draait om het speelschema van Ajax. “Mijn gezin staat natuurlijk op nummer 1. Maar ik kom bij Ajax vanaf dat ik vijf was, met mijn vader op de staantribune. We waren fan van Guus Dräger, die speelde voorin, links en rechts. En nu ben ik 83.”

Als vanzelf komt binnen vijf minuten het verhaal van hoe Swart ooit bij Ajax terechtkwam. “Ik was tien en met OVVO speelden we tegen Ajax. In ons team zaten Co Prins, met wie ik later in het eerste voetbalde, en Rob van Heeswijk, een hele goede keeper. We wonnen met 7-0 en ik maakte er vijf. Na afloop zei meneer Muller, zijn naam vergeet ik nooit: die kleine willen we graag bij Ajax hebben.”

In die tijd had Amsterdam vier profclubs.

“Maar Ajax was de top, toen ook al. In West had je DWS, een mooie club. De vader van mijn vrouw was voor DWS, net als die hele familie. Dan speelde ik overdag voor Ajax en moest ik ’s avonds naar een verjaardag met allemaal DWS’ers. In Noord zat De Volewijckers, die waren technisch goed. En Blauw-Wit speelde in het Olympisch Stadion, dat was Zuid.”

Waarom spelen die andere clubs geen profvoetbal meer?

“Dat zal met geld te maken hebben. Ajax is altijd de grootste geweest, met het meeste geld.”

Van 1958 tot 1973 dreef Sjaak Swart een sigarenzaak in de Pontanusstraat. “Tot die werd afgebroken voor nieuwbouw. Op de hoek waar ik zat, hebben ze nu een tandarts. Ik zou daar niet meer willen wonen, het is verloederd. In mijn tijd kon je er voetballen, op het pleintje van de Dappermarkt, tussen de kramen door.”

Ruim vijftig jaar geleden voltrok zich een wonder: Ajax werd de beste club ter wereld met voetballers die niet alleen bijna allemaal uit Amsterdam kwamen, maar ook nog grotendeels uit Oost. “Ik zeg altijd dat het op één vierkante kilometer gebeurde. Pietje Keizer, Johan Cruijff en ik: de hele voorhoede werd een paar straten van elkaar geboren. Suurbier en Hulshoff kwamen ook uit de buurt. Dat was het mooie. De club hoorde echt bij de stad. Bij Ajax had je acht Amsterdammers, bij Feyenoord acht Rotterdammers, in Utrecht acht Utrechters. Met één of twee buitenlanders erbij.”

Hij wijst naar de lange vergadertafel waar we aan zitten. “Aan precies zo’n tafel zaten we toen Rinus Michels onze trainer werd. Hij was tien jaar ouder dan ik, we hadden nog samen in het eerste gespeeld. Aan die tafel vertelde hij dat we betaald voetbal gingen spelen, op een hoger niveau, harder trainen. Wie het niet redde, viel af, het werd keiharde business. Als trainer was hij heel anders dan als voetballer. Ik kwam erbij in zijn laatste jaar als speler. Rinus was lui, hij liep geen meter meer.”

Wanneer werd u benoemd tot Mr. Ajax?

“Ik denk bij mijn afscheid in 1973. Het officiële aantal is 603, zoveel wedstrijden heb ik gespeeld voor Ajax. Ik vind dat de oefenwedstrijden ook moeten meetellen, dan zijn het er veel meer. Ik was 35 en Johnny Rep 22, die speelde op mijn plek, rechtsbuiten. Dan weet je hoe het werkt, zeker in de voorhoede.”

“Ik wilde geen wissel zitten. Maar ik denk dat ik makkelijk tot mijn 45ste in het eerste had kunnen blijven spelen. Ik was snel en bloedserieus. De nieuwe trainer, George Knobel, belde nadat ik net een grote afscheidswedstrijd had gespeeld, tegen Tottenham. Of ik niet terug wilde komen. Hij zei dat ik bij hem alles zou spelen. Ik heb het niet gedaan.”

Wat is Ajax voor club, vanbinnen?

“Heel warm. Ik moet mijn cadeau nog krijgen, voor het 70-jarig lidmaatschap, dat kon niet door corona. Dan krijg je een blauw bord, geloof ik, of een horloge.”

Van buiten lijkt het niet zo warm.

“Dat komt doordat iedereen zit te wachten tot we verliezen, dat krijg je als je de beste bent. Dan kunnen ze er weer over schrijven.”

Wat vond u van de zaken met Overmars en Promes, dit jaar?

“Heel jammer. Maar ik blijf altijd een Ajacied. Van mij zul je nooit een kwaad woord horen over de club.”

Is het een Joodse club?

“Dat niet, maar er zitten wel veel Joden op de tribune.”

Wat vindt u ervan dat de supporters zichzelf presenteren als Joden?

“Daar ben ik niet zo enthousiast over. Je krijgt weer reacties van de tegenpartij, die beginnen te schelden op Joden. Ze zijn ook niet goed bij hun hoofd. Voor mij hoeft dat allemaal niet zo.”

Sjaak Swart komt uit een Joodse familie, met een zware geschiedenis.

“Op 3 juli 1948 werd ik tien. Mijn moeder had net een tasje gemaakt met mijn kleren voor Ajax, na de zomer zou ik daar beginnen. Op 5 juli overleed ze. Mijn opa en oma, haar ouders, kwamen bij ons in huis. Die hadden een viswinkel, in de Reinwardtstraat. Later stonden mijn vader en mijn opa op de Dappermarkt, met een haringkar.”

“De vader van mijn vader was familie van de moeder van mijn moeder, een heel gek verhaal. De familie van mijn moeder heette Levitus, die zijn bijna allemaal weggehaald in de oorlog. Het was schandalig. En bij mijn vader: zijn vijf broers, een zus en zijn ouders. We hebben ze ooit nog op tv gezien, in zo’n kamp, ik denk Westerbork. Mijn vader heeft daar echt een tik van gekregen. Ik praat er liever niet over.”

Waarom niet?

“Het is geweest. Bij Ajax voetbalde ik met Bennie Muller, onze masseur heette Salo Muller. Zij hebben daar meer gevoel bij, gaan naar hun familie in Israël. Ik heb dat niet.”

U werkt nog.

“Elke ochtend sta ik om half acht op en ga ik mijn oefeningen doen. Andrea, mijn vrouw, moet erom lachen, maar ik zeg: jíj doet het niet. Ze wil naar zo’n flat verhuizen, met andere oude mensen. Ik wil niet weg uit ons huis, het is heerlijk, aan het water.”

Het werk bestaat uit de begeleiding van voetballers. Hij somt ze op: “Van der Vaart, Sneijder, Donny van de Beek, Davy Klaassen, Heitinga en Stekelenburg. En Vermaelen en Alderweireld heb ik voor Ajax opgehaald uit België. Andere makelaars proberen aan die jongens te verdienen, die willen ze zo snel mogelijk naar een andere club brengen, naar het buitenland. Daar zit het geld in.”

U wilt het tegenovergestelde?

“Ik probeer ze bij Ajax te houden. Speel daar nou eerst eens tweehonderd wedstrijden. Dan kijken we verder op het moment dat je echt klaar bent voor de volgende stap. Denen, die heb ik ook veel begeleid, vanaf Lerby en Arnesen, meer dan veertig jaar terug. Een paar jaar geleden nog Christian Eriksen. Die was alleen. In het restaurant van een vriend van me heeft hij in de keuken leren koken. De Veranda, op de Amstelveenseweg.”

“In mijn tijd zat meneer Timmer in het bestuur, die werkte ook voor de Belastingdienst, dan weet je het wel. Ik had in Engeland willen voetballen, maar hij zei dat ik bij het meubilair hoorde, ik mocht niet weg.”

Vond u dat erg?

“Amsterdam blijft de mooiste stad ter wereld. Londen, Parijs, ik ben overal geweest. Maar het is nergens zo fijn als hier.”

Sjaak Swart werd benaderd door mensen die een standbeeld van hem willen maken. “Dat moet ergens in Amsterdam komen te staan. Ik vind dat raar, het is meer iets voor als je dood bent.”

“Veel jongens uit ons team zijn overleden. Een paar jaar geleden ging het ineens hard. En ik was de oudste. Ik durf geen rekensom te maken over hoe lang het nog duurt. Dat je er niet meer bent, ik vind dat zo’n vreemd idee.”

CV

Sjaak Swart (Muiderberg, 1938) speelde van 1956 tot 1973 in het eerste elftal van Ajax en 31 keer voor het Nederlands elftal. Hij is nu spelersbegeleider.

De stad van... Sjaak Swart

Echt Amsterdams
“Dat ben ik altijd.”

Accent
“Nou, dat is Amsterdams. Ik ben niet zo iemand die ineens heel netjes gaat praten.”

Rust en drukte
“Rust zoek ik niet. En drukte: de omgeving van het Rembrandtplein, geweldig.”

Huur of koop
“Als het niet anders kan, moet je huren. Zodra je de kans krijgt, moet je kopen. Wij hebben zelf een huis laten bouwen in Diemen. Mijn vrouw is gek van het indelen van zo’n huis. Aan wat mannen uit Volendam, die het bouwden, heeft ze helemaal uitgelegd hoe ze het wilde.”

Import
“Je kunt geen Amsterdammer worden, dat moet je zijn.”

Serie

Amsterdammers klagen graag over de snel veranderende stad, maar willen hier toch blijven wonen. Hoe werkt dat, vraagt schrijver Robert Vuijsje (Alleen maar nette mensen, Salomons oordeel) zich af in een wekelijkse interviewserie met bekende en minder bekende Amsterdammers. Dit is aflevering 13. Lees hier alle afleveringen terug.

Robert Vuijsje. Beeld Erik Smits
Robert Vuijsje.Beeld Erik Smits
Meer over