PlusTen slotte

Kostuummaker Arend Serné (1925-2021) was een instituut in de theaterwereld

Vier generaties Serné’s maakten kostuums, maar in 1993 viel het doek voor het familiebedrijf op de Groenburgwal. Arend Serné, een instituut in de toneelwereld, overleed deze week op 96-jarige leeftijd.

Roelf Jan Duin
null Beeld

Een scherp oog voor detail, dat behield Arend Serné altijd. Dus als in een historische televisieserie de kostuums niet klopten, zag hij het meteen. Het konden de knopen zijn, de mouwen of de kragen. “In die tijd droegen ze nog helemaal geen Cul de Paris!,” kon hij dan roepen. Noem het beroepsdeformatie: Serné besteedde zijn werkzame leven aan kostuums en leidde tot 1993 de firma Arend Serné en Zoon, die sinds 1866 aan de Groenburgwal gevestigd was.

Arend Serné en Zoon leverde meer dan een eeuw kostuums en rekwisieten voor onder andere toneel- en operavoorstellingen, voor historische optochten en later ook voor televisieseries. Vier generaties ging de firma over van vader op zoon, dus was het een min of meer uitgemaakte zaak dat Arend, die in 1925 werd geboren, er na de oorlog ook ging werken.

Hoogtijdagen

In de jaren vijftig en zestig beleefde de kostuumfirma hoogtijdagen. Behalve twee panden aan de Groenburgwal had het bedrijf ook een atelier in de Amsterdamse stadsschouwburg. Van de Gijsbrecht van Aemstel tot de taptoe (militaire parade) in Delft en van Louis Bouwmeester tot Mary Dresselhuys; ze droegen de kostuums van Serné.

Het gezin Serné was in 1971 ook gaan wonen in het grachtenpand op de Groenburgwal, dat op de gevel ‘toneel- en balkostuums’ had staan. Het was een komen en gaan van bekende mensen in zijn ouderlijk huis, herinnert Joris Serné, de zoon van Arend, zich. “Dan stond opeens Jeroen Krabbé in de kamer, die een kostuum kwam passen voor Willem van Oranje, of Rob de Nijs, die gekleed moest worden voor Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen, mijnheer? Als kind vond je dat natuurlijk prachtig.”

Neergang

Maar de opkomst van de televisie betekende ook dat de zaken minder goed begonnen te lopen. Veel grote televisieproducties maakten hun eigen kostuums, of kochten ze in Engeland. Ook bij het toneel raakten kostuums minder in zwang. Het leidde het einde in van het bedrijf Serné, dat in 1993 definitief ophield te bestaan.

“Er lagen tussen de veertig- en vijftigduizend kostuums in de opslag, die moesten allemaal opgeruimd worden. Een deel ging naar de musea, een ander deel kon worden verkocht, en er is een hoop vernietigd,” herinnert Serné’s jongere zus Marie-Louise zich. “Het was een klap, maar zijn liefde voor kostuums bleef. Een hoogtepunt in zijn latere leven was dat bij de presentatie van Marten en Oopjen, in het Rijksmuseum, twee mensen rondliepen met exact dezelfde kostuums als op de portretten van Rembrandt. Die had Arend al liggen.”

Pianospel

Serné zat na het einde van het kostuumbedrijf niet bij de pakken neer. Hij hield zich bezig met het maken van sieraden, bleef tot zijn dood dagelijks minimaal 1,5 uur pianospelen - Scarlatti, Scriabin, Chopin zaten in zijn repertoire - en gaf op zijn 95ste in eigen beheer de bundel Vensterpoëzie uit, met gedichten die hij tijdens de lockdown had gemaakt. Die bundel droeg hij op aan zijn vrouw Marie-Thérèse, die tien jaar eerder was overleden.

“Met hem gaat een enorme hoeveelheid kennis verloren over historische kleding,” zegt zijn zus. “Hij wist precies op welke plek welk knoopje moest zitten, en in welke tijd welke jurken werden gedragen.” Een instituut werd Serné, die 96 jaar is geworden, door acteur Jacques Commandeur genoemd.

Meer over