PlusExclusief

Jacqueline de Reus, barvrouw in de Eddy Bar, woont al haar hele leven in De Pijp: ‘In de buurt moet je nu overal Engels praten’

Jacqueline de Reus in de Eddy Bar in Amsterdam Beeld Erik Smits
Jacqueline de Reus in de Eddy Bar in AmsterdamBeeld Erik Smits

Jacqueline de Reus woont al haar hele leven in De Pijp en werkt nu in Eddy Bar. ‘Van een arbeidersbuurt hebben ze een toeristenwijk gemaakt. Maar waarom kwamen al die mensen hiernaartoe? Ze wilden het echte Amsterdam proeven.’

Robert Vuijsje

Serie

Amsterdammers klagen graag over de snel veranderende stad, maar willen hier toch blijven wonen. Hoe werkt dat? vraagt schrijver Robert Vuijsje (Alleen maar nette mensen, Salomons oordeel) zich af in een wekelijkse interviewserie met bekende en minder bekende Amsterdammers. Dit is aflevering 10. Eerder interviewde hij onder meer Nardo Brudet die een nieuw volkslied schreef voor Amsterdam en Stephanie Archangel, conservator van het Rijksmuseum. Lees hier de eerdere afleveringen.

Eerst een paar dingen die opvallen als Jacqueline de Reus aan het werk is in Eddy Bar, het café in de Gerard Doustraat. “Ze zitten aan de bar gewoon te swipen. Op Tinder, ja.” Zelf staat De Reus achter de bar, voor haar neus ziet ze het gebeuren. “Dus ze zitten in een druk café, vol met leuke mannen en vrouwen. In plaats van zich aan de bar om te draaien en rond te kijken, gaan ze op Tinder zoeken.”

“Jonge mensen kunnen niet meer met elkaar praten, ze zijn het niet gewend. Ze denken dat je een ander goed kunt leren kennen door berichtjes te sturen op WhatsApp. Maar daar zie je geen emotie, je kunt iemands gezicht niet bekijken, of hoe die ruikt en voelt.”

Ook opvallend: hoe goed verschillende soorten mensen met elkaar samengaan in een café. “Zeker na middernacht krijgen we iedereen binnen. Van Pieter-Jan tot Jan met de korte achternaam – de gewone burger, zeg maar. Die lijken niet op elkaar, maar in een café hebben ze het heel leuk.

“Ome Jan is 92, een stamgast bij ons, hij heeft zelf altijd in de horeca gewerkt. En Zwarte Wil is 83, ze wordt zo genoemd omdat ze altijd zwart haar had. Jonge mensen willen graag met ze praten, die verhalen over vroeger horen. Cafébezoekers zijn gevoelsmensen.”

Als kind kwam Jacqueline de Reus al in Eddy Bar, toen nog met haar vader. “Ik was vijf, gingen we hier koffie drinken. De ouders van Femmy Blom waren al de eigenaars, zij heeft me zeven jaar geleden in dienst genomen. Van haar moeder kreeg ik snoepjes als kind.”

“Het was altijd gezellig. In elk café had je wel een Tante Sjaan en Ome Jan. Ik zie die mensen nog voor me, ze zijn nu allemaal overleden. Femmy ook, een paar jaar geleden.”

In die tijd hadden haar ouders een kroeg, Koffiehuis Café Carla, op de Ceintuurbaan. “Het is een smalle pijpenla, twee deuren naast Café Hermes, die zaten er in die tijd ook al, op de hoek van de Ceintuurbaan en de Dusartstraat. Nadat mijn ouders het verkocht hadden, is het in dat pand nooit meer iets geworden, ik weet niet eens wat er nu in zit.

“Mijn vader had eerst een dierenvishandel, zo heette dat, in de Van Ostadestraat. Krokodillen, beren, apen – ja, echt. Nu zou je daar allemaal vergunningen voor moeten hebben. Ik kwam een keer thuis van school en er zat een kleine beer op straat, aan de voordeur van de winkel vastgebonden. Ik schrok en die beer ook, hij beet zo in m’n kin.”

Hoe kwam hij aan die dieren?

“Via Schiphol, of van mensen die zo’n beest in huis hadden en er vanaf wilden. Hij had een handeltje met Artis, zij namen dieren van hem over.”

Wat was De Pijp voor buurt?

“Iedereen kende elkaar. Als je iets fout deed, hielpen de buren je opvoeden. In de Rustenburgerstraat gooide ik een keer een hele rij fietsen om. Kattenkwaad. De buurman pakte me op, echt bij kop en kont, en liet me die fietsen recht zetten. Wat denk je dat mijn moeder zei, toen ik thuis vertelde hoe die buurman me had aangepakt? Nou, daar zal je het wel naar hebben gemaakt.”

“Het waren allemaal Amsterdammers. De buurman was Turks en aan de overkant woonde een Marokkaan. Maar die woonden hier al jaren, die hoorden erbij, dat waren ook gewoon Amsterdammers. Een arbeidersbuurt. Wat nu wordt gezien als lager volk. Op tv wordt het lager opgeleid genoemd. Je werkt je de rambam en dan word je gezien als lager. Zo denigrerend.”

Op 23 september 2004 overleed André Hazes, die opgroeide in de Gerard Doustraat, schuin tegenover Eddy Bar. Op de zondag na zijn overlijden stopten een paar grote bussen uit België voor de deur. “Ze wilden dat de deur werd opengegooid, maar onder Femmy, de eigenaar, was de zaak altijd gesloten op zondag.”

“Vanaf die dag werd het een ding. Op zijn verjaardag en sterfdag kwamen hier honderden mensen heen. In de eerste jaren liep het uit de hand. Bezoekers van buiten dachten dat in Amsterdam alles kon, die gingen op het biljart staan, het werd een gekkenhuis.”

“In die beginjaren werd op zo’n dag zo veel verdiend dat het geld niet meer in de kassa paste. Met vuilniszakken brachten ze het naar boven, naar de woning van Femmy. Ik werkte hier toen nog niet, maar ik heb gehoord dat ze boven het geld door de lucht gooiden, alsof het confetti was.”

Zo werd Eddy Bar het André Hazescafé?

“Ik zeg altijd, ieder café in de buurt was een André Hazescafé. Hij is hier geweest, zijn familie ook. Maar hij kwam in alle cafés. Met mijn ouders ging ik vaak naar Dubois op de Ceintuurbaan, het is later afgebrand. Daar zagen we hem ook altijd.”

“In Eddy Bar komen mensen me hun tattoos laten zien. Op hun rug, hun been: overal Hazes. Voor mij hoeft dat niet zo. Hij heeft prachtige muziek gemaakt, heel knap dat hij met zulke simpele woorden, uit een rijmwoordenboekje, zo veel gevoel kon overbrengen. En als mensen erom vragen, zet ik het graag op. Maar het is niet zo dat we alleen maar Hazes draaien.”

De vlieger, Eenzame kerst, Bloed, zweet en tranen: dat heb ik te vaak gehoord. Op het werk draai ik van alles, mijn lievelingsmuziek is Motown, uit de jaren zestig en zeventig. Maar ook veel Nederlandse muziek. De nieuwe eigenaar, Mirella de Vries, wil de zaak graag houden zoals die was.”

Wat voor publiek hebben jullie?

“Vaste klanten, maar ook veel van buitenaf. We staan in de toeristenboekjes, dus we krijgen buitenlanders die een echte bruine kroeg willen zien. Belgen, Amerikanen, Australiërs. We zijn niet de duurste en ze kunnen bij ons darten en biljarten.”

“Wat ik soms jammer vind: dat je niet meer alles kunt zeggen. Mensen maken er zo een ander verhaal van en worden boos. Je merkt het als we met de vaste klanten bij elkaar zitten en er is even niemand anders bij. Dan hoor je ze weer eerlijk praten, om het zo maar even te zeggen. Niet met de rem erop.”

“Een paar jaar geleden was ik buiten op het terras en ging een jongen mij napraten. Mijn Amsterdamse accent. Een klant die op het terras zat. Eén keer kan, twee keer ook, maar als je het voor de derde keer doet, is het geen lolletje meer. Ik sprak hem erop aan en hij zei dat hij ook een Amsterdammer wilde worden, daarom deed hij mij na. Ik zei dat híj in ieder geval nooit een echte Amsterdammer zou worden.”

“Je moet nu overal Engels praten, in winkels hier in de buurt. Waarom is dat, we zijn toch in Nederland? Van Marokkanen of Irakezen hebben we geëist dat ze Nederlands zouden leren, maar als je uit Engeland komt hoeft dat niet?”

Is De Pijp veranderd?

“Het begon met de huisjesmelkers die zagen dat de huizen goedkoop waren en ze aan studenten begonnen te verhuren. Daarna kwam de reclame vanuit de gemeente, ze wilden hier een toeristenbuurt van maken. De druk op het centrum verlagen, en De Pijp ligt daar vlak bij. Ze wilden het opkrikken, voor als de Noord/Zuidlijn klaar was.”

“Wat ik niet begrijp: dit was een arbeidersbuurt en nu hebben ze er een toeristenwijk van gemaakt. Maar waarom kwamen al die mensen van buiten in eerste instantie hiernaartoe? Ze wilden het echte Amsterdam proeven, die authentieke volksbuurt, daar wilden ze bij horen.”

“En wat hebben ze toen gedaan? De hele buurt opgeknapt en aangepast aan de smaak van de yuppen en studenten die er nu zijn komen wonen. Dan gooi je toch weg waar je hier eerst voor bent gekomen? Ja, het is opgeknapt en dat is mooi, maar ten koste van wat? De Amsterdammers die hier woonden, kunnen het niet meer betalen.”

“Aan de bar krijg ik nu toeristen die me vertellen dat ze niet meer naar De Pijp willen, daar proeven ze het echte Amsterdam niet. Die gaan naar Oost, de buurt rond de Dappermarkt en het Oosterpark. Dat voelt, nu nog, als een volksbuurt. De Pijp niet meer. Toeristen zijn ook niet gek. Die zien het verschil.”

CV

Jacqueline de Reus (Amsterdam, 1968) werkte op kantoren en in bioscopen als Alfa, Alhambra en City. Daarna kwam ze in de horeca, eerst in broodjeszaken en restaurants en daarna in cafés.

De stad van... Jacqueline de Reus

Echt Amsterdams
“In discussie met niet-Amsterdammers. Als zij zeggen: jij komt echt uit Amsterdam, hè.”

Accent
“Amsterdams. Ik vind het niet erg, ik ben er trots op.”

Rust en drukte
“Rust vind ik aan het water, bij de Amstel of de Nieuwe Meer. Drukte in De Pijp, lopen over de markt.”

Huur of koop
“Als je huurt, heb je pech, bij koop heb je mazzel gehad. Of het moet een hele ouwe huur zijn, dat je niet zo veel hoeft te betalen.”

Import
“Affiniteit met de stad kunnen ze wel krijgen, maar import: dat kunnen geen echte Amsterdammers worden. Ik vind dat iedereen hier moet kunnen wonen, alleen niet ten koste van de echte Amsterdammers.”

Meer over