PlusBlikvangers

Het Spinozamonument is een symbool voor de ‘waarden van Amsterdam’

De stad staat vol met kunst, van wereldvermaarde kunstenaars tot anonieme beeldhouwers. Wat zijn de verhalen achter deze beelden?

Het Spinozamonument op de Zwanenburgwal, door Nicolas Dings.  Beeld Nina Schollaardt
Het Spinozamonument op de Zwanenburgwal, door Nicolas Dings.Beeld Nina Schollaardt

Spinozamonument

Sinds 2008
Kunstenaar Nicolas Dings
Waar Zwanenburgwal

Filosoof Carlo Ierna gooide onlangs in Trouw een knuppel in het hoenderhok met zijn stelling dat ‘De Grote Zeven’ – de meest besproken moderne wijsgeren in de gangbare handboeken – op de schop moeten. “Sommige blanke mannen blijven interessant en belangrijk – Descartes, Leibniz en Kant,” aldus Ierna. “Maar Berkeley, Locke en Spinoza halen het niet, en ik twijfel aan Hume.”

Tja.

In Amsterdam staat Baruch Spinoza (Benedictus de Spinoza; Bento de Espinosa of d’Espinosa, 1632-1677) vooralsnog stevig op zijn voetstuk. Het Amsterdam Museum organiseert vanaf 5 september de tentoonstelling Vrij­denkers: van Spinoza tot nu. Aan de Peter van Anrooystraat in Zuid, voor het Spinoza Lyceum, staat sinds 1959 een Spinozabeeld gemaakt door Hildo Krop. En de Amsterdamse kunstenaar Nicolas Dings maakte het uitbundige Spinozamonument dat sinds 2008 voor het stadhuis staat – vlak bij de plek waar hij ter wereld kwam als kind van Portugees-Joodse immigranten. Het beeld moest eraan bijdragen dat Spinoza – die stond voor tolerantie en vrijheid van godsdienst: waarden die Amsterdam zichzelf graag toedicht – het boegbeeld van de stad zou worden, zoals Erasmus dat is voor Rotterdam.

Dings maakte een groot, bronzen standbeeld met een realistische kop, gemodelleerd naar het vroegere briefje van duizend, die bovenop een enorme mantel staat. De mantel is bedekt met attributen die refereren aan tolerantie, godsdienstvrijeid en vrijheid van meningsuiting, en waarmee volgens Dings een brug wordt geslagen naar de huidige pluriforme samenleving: halsbandparkieten (‘vreemde vogels’), mussen (met uitsterven bedreigd) en een roos met doornen (Spinoza betekent doorn).

Spinoza staat op een ellipsvormige sokkel, een speelse verwijzing naar Isaac Newton, die beschreef dat de planeten in een ellipsvormige baan om de aarde bewegen. Naast Spinoza staat een zwarte, abstracte icosaëder, een wiskundige vorm die bestaat uit twintig driehoekige vlakken – een verwijzing naar zijn beroep als lenzenslijper. In het voetstuk is de (kort door de bocht) samenvatting van zijn filosofie gebeiteld: ‘Het doel van de staat is de vrijheid’.

Wat het beeld niet vertelt, is dat Spinoza op 24-jarige leeftijd in de ban werd gedaan door de Joodse kerkgemeente van de stad, omdat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan ketterij. Spinoza belandde via Rijnsburg in Den Haag, waar hij de Ethica voltooide, zijn magnum opus.

In Den Haag, waar hij stierf, staat sinds 1880 ook een beeld ter ere van Spinoza, van de Franse beeldhouwer Frédéric Hexamer. Toen het beeld van Dings nog in voorbereiding was, stelde beeldend kunstenaar Hans van Houwelingen een ‘monumentenruil’ voor: Hexamers Spinoza zou naar Amsterdam moeten verhuizen; het standbeeld van Johan Rudolph Thorbecke, dat op het Thorbeckeplein staat, zou moeten verkassen naar Den Haag, waar destijds nog geen beeld stond voor de grondlegger van de democratie. De ruil ging niet door, Den Haag wilde zijn monument niet kwijt: “De Ethica voltooide hij hier, aan de Paviljoensgracht.”

Jan Pieter Ekker

De hoeken zijn niet wat ze lijken aan de Kanaalstraat, dankzij Getekend van Hans van der Pas op het metselwerk van de zijgevel. Beeld Nina Schollaardt
De hoeken zijn niet wat ze lijken aan de Kanaalstraat, dankzij Getekend van Hans van der Pas op het metselwerk van de zijgevel.Beeld Nina Schollaardt

Getekend

Sinds 2006
Kunstenaar Hans van der Pas
Waar Kanaalstraat

De schilder G.H. Breitner had oog voor oude Amsterdamse gevels. In zijn latere werk maakte de dynamiek van de moderne stad langzaam plaats voor melancholieke verbeeldingen van afbraak en verval. Hij schilderde een bouwput aan de Nieuwendijk, waarover een criticus in 1906 schreef: ‘Het afgebroken gebouw teekent tegen de muren der omringende huizen nog zijn étages af, in de bruine koppen der rijen afgezaagde bindten. Hier duidt een roetkolom tegen den belendenden witten muur, den vroegeren schoorsteen aan – ginds de opgaande ojief-lijn de trap. De belendende muren dragen de kenteekenen van het leven van vele geslachten, die op deze plek gewoond hebben.’

Het is inderdaad frappant hoe een muur van een afgebroken pand vaak nog de intieme huiselijke sfeer verraadt van een woning. Een behangetje, tegels uit een badkamer of een lambrisering zweven dan, uit hun verband gerukt, hulpeloos in de buitenlucht.

Ook op de kopse kant van het Kanaalstraat 2, het allereerste pand in deze straat bij het WG-terrein, kunnen we iets van de geschiedenis van het gebouw aflezen. Het werd in 1896 gebouwd, in wat toen nog de gemeente Nieuwer-Amstel heette. Maar dat is niet het pand zoals we dat nu zien. Er was destijds een begane grond met daarboven twee verdiepingen. Daarboven was een schuin dak met een zolder. Bovenaan de gevel bevond zich een gedecoreerde daklijst en een centraal geplaatst erkertje met een venster, geheel in stijl met het pand.

Deze laatste elementen verdwenen later. De zolder werd een volwaardige verdieping en daarboven kwam nog een bouwlaag, met een dak dat gedeeltelijk schuin is. Aan de rechterkant van de voorgevel verscheen een Frans balkon. De nieuwe derde verdieping sloot redelijk harmonieus aan bij de rest van het pand, maar de structuur en kleur van de bakstenen verraden dat er iets is gebeurd.

Dit gegeven heeft kunstenaar Hans van der Pas gebruikt en doorgetrokken naar de zijgevel. Hij liet delen van die zijgevel schoonspuiten, waardoor een nieuw beeld ontstond. Een schuine lijn volgt de rand van het oorspronkelijke dak, er werd een lichte lijn aangebracht en ook aan de achterzijde van het pand werd een verticale strook schoongespoten.

Door een relatief eenvoudige ingreep is met Getekend niet alleen de specifieke geschiedenis van het pand zichtbaar geworden, maar ook een nieuwe illusie ontstaan. Het is alsof aan de bovenste deel van het pand een extra bouwvolume aan de zijkant van het pand kleeft.
Kees Keijer

Grafmonument van Albert Hahn. Beeld Nina Schollaardt
Grafmonument van Albert Hahn.Beeld Nina Schollaardt

Grafmonument Albert Hahn

Sinds 1919
Kunstenaar Hildo Krop
Waar Nieuwe Ooster

De spoorwegstaking van 1903 leeft voort in de prent die politiek tekenaar Albert Hahn ervan maakte voor de socialistische krant Het Volk. Te zien daarop is een als reus afgebeelde arbeider die met een enkel handgebaar een trein tegenhoudt. Twee veel kleiner afgebeelde kapitalisten (te herkennen aan hun hoge hoeden) proberen de arbeider tevergeefs van het spoor weg te trekken.

Daarbij de bekende tekst ‘Gansch het raderwerk staat stil, als uw machtige arm het wil.’

Het is zo’n tekening die meer dan een eeuw later nog altijd in geschiedenisboeken staat. Ook de bijtende spotprenten die Hahn maakte van Abraham Kuyper, de leider van de Anti Revolutionaire Partij, duiken daar nog regelmatig in op.

Albert Hahn (1877-1918) werd als tekenaar gehaat door de machthebbers van zijn tijd, maar was in proletarische kringen zeer geliefd. ‘De arbeiders aan Albert Hahn,’ luidt de tekst op het monument dat al een jaar na zijn dood verrees op zijn graf op de Nieuwe Ooster. Het werd gemaakt door Hildo Krop, de stadsbeeldhouwer van de Amsterdam, nadat een comité uit kringen van de SDAP er geld voor had ingezameld.

Bovenop het in kalksteen uitgevoerde grafmonument staat een trots en strijdbaar arbeidersgezin: vader, moeder en kind. Ook Albert Hahns eigen gezin ligt hier; lang na zijn vroege dood werden ook zijn weduwe en zoon op deze plek begraven. Hildo Krop, van wie in Amsterdam veel beelden zijn te vinden, was net als Hahn links, maar dan van communistische signatuur. Hij was een trouw aanhanger van de Sovjet-Unie en zou in Amsterdam zelfs als spion voor Moskou werkzaam zijn geweest.

Albert Hahn, die in Groningen werd geboren, maar als politiek tekenaar woonde en werkte in Amsterdam (hij overleed in de Watergraafsmeer), is zeker niet de enige bekende Amsterdammer die op de Nieuwe Ooster begraven ligt. Bij de ingang is een folder verkrijgbaar met een rondwandeling die leidt langs de graven van onder anderen fotograaf Jacob Olie en schilder George Breitner.

Het is mooi wandelen op de immense Nieuwe Ooster. Je rekent je als altijd op een begraafplaats wel een ongeluk: telkens maar weer trek je iemands geboortejaar van zijn sterfjaar af om te weten hoe oud hij is geworden. Albert Hahn, die zijn hele leven een zwakke gezondheid had, overleed al op 42-jarige leeftijd aan tuberculose.

Zijn grafmonument is sinds 2004 een rijksmonument. Toch ziet het er slecht onderhouden uit. Tijd voor een nieuw comité?
Peter van Brummelen

Rustpunten XXL door Maree Blok en Bas Lugthart. Beeld Nina Schollaardt
Rustpunten XXL door Maree Blok en Bas Lugthart.Beeld Nina Schollaardt

Rustpunten XXL

Sinds 2019
Kunstenaars Maree Blok en Bas Lugthart
Waar Wandelpromenade Weespertrekvaart

Je zou bij vluchtig kijken zomaar kunnen opmerken dat daar drie vrouwen liggen langs het water. Drie grote vrouwen die uitkijken op de vaart. Twee liggen er op de zij, een op de rug.

Maar het zijn mensfiguren die het kunstproject Rustpunten XXL vormen. Rustende mensfiguren.

Ook goed. En iedereen tevreden.

Ze rusten tussen water en de Hartveldseweg en de Muiderstraatweg, langs de Weespertrekvaart. Na intensief overleg met de bewoners is dit stuk Diemen onlangs door de gemeente opnieuw ingericht als een lommerrijke boulevard met een wandelpromenade ‘waar men een ommetje kan maken langs de oevers van het kanaal’.

De beelden verrijken deze nieuwe wandelpromenade. Voor de grote mensfiguren, zo’n tien meter lang en anderhalve mensfiguur hoog, zijn bankjes geplaatst. Je kunt door de langgerekte mensfiguren heen kijken, want slechts de contouren, gemaakt van oranjeachtig cortenstaal, zijn weergegeven. (Spreekt u zelf het woord speels maar uit.)

De beelden zijn gemaakt door beeldend kunstenaars Maree Blok en Bas Lugthart. In hun werk speelt de mens een centrale rol. Die constante en de interactie tussen beeld en toeschouwer is daarbij voor Blok en Lugthart zeer belangrijk.

Zij zijn ook de makers van het kunstwerk Een Open Boek dat in het gemeentehuis van Diemen is te bewonderen. Twee lichtgebogen delen van glas, die een opengeslagen boek verbeelden. Links zien we de afbeelding van een kind, opgebouwd uit honderden foto’s van het hedendaagse Diemen, en rechts zien we een ouder persoon, ‘gemaakt’ van evenzoveel foto’s die de historie van Diemen laten zien. Heden en verleden in één beeld gevangen.

Terug naar de rustende mensfiguren. Het zal weinigen ontgaan dat op elk beeld een zilverkleurig, roestvrijstalen eendje rust. Twee op een knie, één op een schouder. Drie eenden die terugkomen in het wapen van Diemen.

“De wandelaars,” zo horen we als we op bloklugthart.nl een filmpje bekijken, “worden door de beelden uitgenodigd hun wandeling te onderbreken en ook even rust te nemen en te genieten van het uitzicht over het water. De grote afmetingen van de menssculpturen maken de ontmoeting van wandelaar en kunstwerk tot een bijzonder moment om even te verblijven op deze mooie plek. Ook voor het voorbijrijdende verkeer vormen de liggende sculpturen een opvallende markering van deze beeldbepalende verbindingsas door Diemen.”

Te hopen is natuurlijk wel dat de automobilist niet al te afgeleid zal worden door de beelden. Verkeerschaos is er al genoeg.
Maarten Moll

Negen bruggen, door Monica Droste en Guy Rombouts.

 Beeld Nina Schollaardt
Negen bruggen, door Monica Droste en Guy Rombouts.Beeld Nina Schollaardt

Negen bruggen

Sinds 1994
Kunstenaars Guy Rombouts en Monica Droste
Waar Java-eiland

Minder dan tien mensen kunnen zonder handleiding de woorden lezen op de bruggen die de grachtjes van het Java-eiland overspannen. De meeste voorbijgangers zullen de tekens waarschijnlijk niet eens herkennen als letters. Die zien kronkels, vrolijke serpentines in staal. Het lijkt een postmoderne frivoliteit die past bij het bouwjaar van de bruggen: 1994.

Maar het zijn wel degelijk woorden: idee, image, word, wetenschap, enseignement, society, kunst, conscience en light. Ze zijn uitgevoerd in het Azart, een alfabet dat de Belgische kunstenaar Guy Rombouts bedacht in de vroege jaren 80 en later verder ontwikkelde met zijn vrouw Monica Droste. Rombouts komt uit een krantenfamilie en werkte als graficus in een drukkerij voordat hij kunstenaar werd. De liefde voor letters bleef. Ook in de naam zit een woordgrapje: azart is AZ-art, een kunstalfabet. En het refereert aan het Franse woord ‘hazard’, dat ‘geluk’ of ‘lot’ betekent.

Het toeval helpt ook een handje. Sinds begin jaren 90 is het Java-eiland de vaste aanmeerplek voor het theaterschip Azart. Het is van Russische makelij en in die taal betekent het woord ‘bezieling’ of ‘hartstocht in het spel’. Stadsdeelraad Zeeburg besloot in 1994 het Azartplein te vernoemen naar dit ‘ship of fools’, precies in het jaar dat de letterbruggen werden geïnstalleerd.

Wie meer wil weten over het alfabet kan terecht op www.azart.be. Deze site heeft ook een functie die Latijns schrift vertaalt in Azart. De tekens worden net als in ons alfabet aan elkaar geschreven, maar niet lineair. Elk woord vormt een gesloten, grillige cirkel met een sculpturale vorm.

Om die reden zullen Droste en Rombouts de bruggenopdracht gekregen hebben. Het was de eerste grootschalige toepassing van het Azart. Het liefst hadden ze de afzonderlijke tekens een kleurtje gegeven, net zoals hoe het er op de site uitziet, maar daar stak Paul Wittemans, de architect van de bruggen, een stokje voor. Kleur zou visueel te rommelig zijn en de bruggen reduceren tot een soort speelgoed, vond hij.

Na het Java-eiland pasten de Belgische kunstenaars het Azart op nog andere plekken toe. In Brussel staat bijvoorbeeld een groot sculptuur in de middenberm van de Koning Albert II-laan en is metrostation Tomberg ermee verluchtigd. In 1998 wijdde het M HKA in Antwerpen een overzichtstentoonstelling aan de visuele poëzie van het beeldend alfabet. Droste mocht het niet meer meemaken. Een maand voor de opening overleed zij aan kanker. Als eerbetoon droeg haar weduwnaar de expositie op aan haar.
Edo Dijksterhuis

Grafmonument Willem Breuker, door Marinus Boezem. Beeld Nina Schollaardt
Grafmonument Willem Breuker, door Marinus Boezem.Beeld Nina Schollaardt

Grafmonument Willem Breuker

Sinds 2010
Kunstenaar Marinus Boezem
Waar Begraafplaats De Nieuwe Ooster

“Het geweten van de Europese muziek,” noemde biograaf Jean Buzelin de Amsterdamse saxofonist en componist Willem Breuker. Voor zijn Willem Breuker Kollektief schreef hij stukken waarin klassieke muziek, pop, folkore, niet-westerse invloeden en jazz een vrolijk verbond aangaan met ‘foute noten’ waar de leden van het collectief heerlijk op konden improviseren. Vanaf 1976 vulde hij de saaiste dagen van het jaar, de periode tussen kerst en oudjaarsavond, met zijn Klap op de Vuurpijl-festival. En zijn platenlabel BV Haast bracht meer dan honderd lp’s, cd’s en dvd’s uit.

Beeldend kunstenaar Marinus Boezem en Breuker ontmoetten elkaar in de vroege jaren zeventig tijdens het festival Nieuwe Muziek Zeeland in Middelburg, waar Breukers band regelmatig optrad en Boezem al woonde. Er was een klik. Beide mannen zijn wars van regels, hebben scherp oog voor de schoonheid van het onverwachte, en zijn altijd in voor een geintje.

Breuker en Boezem deden meerdere projecten samen, waarvan één nog is te zien in de Zeeuwse hoofdstad. Boezem had daar in 1976 de voormalige graanbeurs geclaimd en omgedoopt tot Podio del Mondo per l’Arte. Een internationaal gezelschap aan conceptueel kunstenaars werd uitgenodigd werk te maken, van Pieter Engels tot Lawrence Weiner.

In 1998 was het Breukers beurt. Die plaatste in de negentiende-eeuwse galerij een put waar hij een speciaal voor deze gelegenheid geschreven compositie deponeerde. De titel van het stuk staat gegraveerd in de gietijzeren deksel: Time is an Empty Bottle of Wine. Tijdens het plaatsen van de put speelde het Kollektief het 3:18 minuten durende stuk, dat is opgedragen aan Boezem en zijn vrouw Maria-Rosa. Het is te beluisteren op de cd Hunger! (1999).

Toen Breuker in 2010 na een kort ziekbed overleed, werd Boezem door zijn weduwe, actrice Olga Zuiderhoek, gevraagd een grafmonument te ontwerpen. Het werd een komeet die inslaat op de plek waar de muzikant begraven ligt.

Het hemellichaam herinnert aan Breukers explosieve creativiteit maar onderstreept ook de impact die zijn relatief plotselinge overlijden had en nog steeds heeft. Het sculptuur is uitgevoerd in drie soort gepolijst graniet, een steensoort even compromisloos als Breuker.

Toen Zuiderhoek Boezem vroeg hoe ze hem kon bedanken, vroeg hij om een kledingstuk. Breuker had een grote verzameling extravagante podiumkleding die hij kocht bij een zaakje op de Nieuwendijk. Een van die ‘showbloezen’, met de toepasselijke print van een sterrenhemel, hangt nu aan de wand van Boezems atelier, een herinnering aan een vriend en geestverwant.
Edo Dijksterhuis

City Cells van Karin van Dam. Beeld Nina Schollaardt
City Cells van Karin van Dam.Beeld Nina Schollaardt

City Cells

Sinds 2015
Kunstenaar Karin van Dam
Waar Hoekenrode/Amsterdamse Poort

Onder een kantoorpand hangen hoekige, stekelige vormen aan pilaren. Karin van Dam maakt vaak hangende objecten, kunstwerken die lijken te zweven en zo de zwaartekracht tarten. Daarom werd ze waarschijnlijk uitgenodigd voor een ontwerp voor de doorgang tussen Hoekenrode en winkelcentrum Amsterdamse Poort.

“Ik was niet zo bekend met de Bijlmer dus ik ben er naartoe gegaan om te kijken wat er speelt. Er wonen natuurlijk mensen uit allerlei werelddelen. Ik heb echt overal rondgezworven om een idee te krijgen wat er leeft en hoe het voelt.”

Op de markt kwam Van Dam allerlei haar onbekende groenten en fruit tegen. Ze ging aan de slag met schorseneren, geen exotische plant, maar met een microscoop stuitte ze op de hoekige veelvlakvorm van de stuifmeelkorrel. “Het is een vorm die veel voorkomt in de natuur, zoals kristallen. Op een gegeven moment vind je iets wat een heel eigen leven gaat leiden.”

Om zich verder in de structuur van schorseneren te verdiepen bezocht Van Dam onder andere de Hortus. Vanuit de vijfhoek, een basisvorm van veel plantaardige en organische structuren, kwam ze uit op de ruimtelijke variant daarvan, de dodecahedron. De vijfhoek lijkt ook op de honingraatstructuur van het oorspronkelijke stedenbouwkundige plan van de Bijlmer. “Het kwam allemaal samen.”

De scherpe puntjes aan de binnenkant van de City Cells ontstonden later. “Ik had een schetsontwerp aan een commissie gepresenteerd en dan krijg je allerlei vragen. Een daarvan ging over duiven die in de structuren zouden kunnen gaan wonen.” Daar had Van Dam nog niet over nagedacht, maar ze vond het wel een interessante vraag. Ze wilde geen gewone duivenpinnen, maar probeerde iets te ontwerpen dat integraal onderdeel zou worden van het werk. Van Dam bedacht om de assen van de structuren te voorzien van scherpe punten. Die zitten bij de stuifmeelkorrels van de schorseneer aan de buitenkant, maar bij City Cells aan de binnenkant. “Daardoor werd het werk ook beter omdat het een soort haartjes lijken. De vormen lijken nu meer op zaad, ze worden organischer.”

Karin van Dam heeft over de duiven ook contact gehad met een specialist in het stadse dierenleven. “Ik kreeg enorm veel informatie over hoe duiven zich manifesteren. Ze kunnen zich door een heel smal gleufje naar binnen worstelen, onvoorstelbaar. Dat was een fantastische ontmoeting. Bij elke opdracht komen bijzondere dingen op je pad. Je komt met mensen in aanraking die dingen doen waarvan je nooit gedacht had dat ze bestaan. Dat is fantastisch.”
Kees Keijer

Adriaan Geuzes Pythonbrug, tussen Borneo-eiland en Sporenburg. Beeld Nina Schollaardt
Adriaan Geuzes Pythonbrug, tussen Borneo-eiland en Sporenburg.Beeld Nina Schollaardt

De Pythonbrug

Sinds 2001
Kunstenaar Adriaan Geuze
Waar Panamakade/Stuurmankade

Alles went natuurlijk. De bewoners van de Panamakade en de Stuurmankade in het Oostelijk Havengebied zullen dus wel niet elke dag opnieuwe verrukt zijn over de knalrode brug die de de schier­eilanden Borneo en Sporenburg met elkaar ­verbindt. Maar wie niet vaak in de buurt komt, krijgt bij het zien van de Pythonbrug, zoals hij in de volksmond heet, spontaan een goede bui.

Volgens de liefhebberswebsite bruggenvanamsterdam.nl telt Amsterdam wel meer dan 6000 bruggen, een aantal dat door geen andere stad waar ter wereld zou worden overtroffen. Van al die bruggen is de Borneobrug – de offi­ciële naam – een van de spectaculairste. In een golvende beweging slingert hij zich over het 90 meter brede water van wat het Spoorwegbassin heet.

Vanwege die vorm werd de Pythonbrug aanvankelijk ook wel de Anacondabrug genoemd. Ook in onbruik geraakt: de bijnamen Salamanderburg en Dinosaurusbrug. Er als voorbijganger zo maar langslopen, is onmogelijk: je móét er overheen. Wat nog best een klim is over de hardhouten treden, want de brug is 9,5 meter hoog.

Bovenop heb je een mooi uitzicht over de buurt. Het uitzicht in oostelijke richting, waar het Zeeburgereiland ligt, gaat de komende jaren aanzienlijk veranderen: waar nu nog een zandvlakte is, verrijst binnenkort de Sluisbuurt, een mini-Manhattan op zijn Amsterdams.

De Pythonbrug is een creatie van architect Adriaan Geuze. Van huis uit is hij landschapsarchitect, maar zijn oeuvre is veel en veel diverser. Geuze (een paar jaar geleden nog Zomergast bij de VPRO) is zo’n Nederlandse architect wiens roem tot ver buiten eigen land strekt. Met zijn bureau West 8 was hij betrokken bij grote projecten in Amerika, Canada en Spanje.

West 8 was ook verantwoordelijk voor het masterplan van de wijken Sporenburg en Borneo. Het ontwerp van de Pythonbrug moet voor Geuze de spreekwoordelijke kers op de taart zijn geweest. Hij heeft zich er lekker op uitgeleefd. Een mooi detail is de verlichting; met een beetje fantasie doen de lantaarns denken aan op de brug neergestreken vogels.

Verderop, in westelijke richting, worden de twee kades door nog een rode brug verbonden, ook een ontwerp van Geuze. Door zijn traditionelere vorm is die ook toegankelijk voor mensen die minder goed ter been zijn en fietsers.

Bij beide bruggen staan bordjes dat het verboden is er als zwemmer van af te springen. Zoals bekend houden Amsterdammers zich niet altijd aan verbodsborden.
Peter van Brummelen

Jeroen Hennemans De Lamp lijkt gebroken, maar er zijn geen scherven en er is niets stuk. In het donker geeft het kunstwerk licht. Beeld
Jeroen Hennemans De Lamp lijkt gebroken, maar er zijn geen scherven en er is niets stuk. In het donker geeft het kunstwerk licht.

De Lamp

Sinds 2017
Kunstenaar Jeroen Henneman
Waar Muiderstraatweg/Stammerdijk (Diemen)

We spelen een beetje de naïeve voorbijganger.

Hé, is dat een vernield kunstwerk?
Die enorme lamp daar op die sokkel. Is die echt ingeslagen? Aan de scherpe randen van het glas te zien wel.

Waarom moet alles stuk?
Die verdomde vandalen ook altijd.

Zo’n mooi ding daar, op die niet al te mooie, non-descripte plek aan de rand van Diemen. Tussen wegen, een tankstation, een weiland met koeien, en een industrieterrein. Iets verder weg de snelweg en het spoor. Dat kunstwerk, een bloem op de vuilnisbelt, zeg maar.

Even van dichtbij bekijken.
Huh? Er is helemaal niets kapot. Er is geen sprake van glas. Er liggen dus ook geen grote schreven aan de voet van de sokkel.

Het is de illusie van het kapot zijn. De kapotte lamp is een heel beeld. Zinsbegoocheling. We zijn er ingetrapt. Wat gebroken lijkt, is bewust zo gedaan. De scherpe randjes; je kunt je vingers er niet aan bezeren, je er lelijk aan snijden. Het is een zorgvuldig verbogen zwarte metalen strip die vriendelijk is voor het menselijk vlees.

Maar niet alleen het gebroken zijn is illusie, de gehele lamp is dat ook. Want De Lamp, een mooi beeld van kunstenaar Jeroen Henneman, de suggestie van een ‘echte’ lamp, 3D. Maar het is een plat beeld, slecht tweedimensionaal. Zoals Henneman ze meer maakt. (Bijvoorbeeld Het Wiel op het dak van het Belastingkantoor langs de A10.)

En het fraaie van dit ‘kapotte’ beeld is dat De Lamp in het donker wel degelijk licht geeft.

Het beeld is hier neergezet in opdracht van de gemeente Diemen ter ‘revitalisering’ van de bedrijventerreinen De Sniep en Stammerdijk. De lamp staat bij de toegangsweg naar bedrijventerrein Stammerdijk, op een plek onder hoge bomen, waardoor de voorkeur van de gemeente uitging naar een lichtbeeld dat dag en nacht zichtbaar is.

Henneman zelf zei er ook iets over: “Ik maakte in de landelijke omgeving van de afslag een afbeelding van een industrieproduct met een lange staat van dienst als betrouwbaar baken. De lamp, een intrigerend voorwerp waaraan als hij niet brandt niet te zien is of hij kapot is. Ik creëerde een poëtisch concept van een kapotte lamp die toch nog licht blijkt te geven en als baken te kunnen functioneren.”

Minder poëtisch zijn de achteloos in de berm gegooide, en tegen de sokkel gewaaide zakken en plastic bakjes die verwijzen naar de nabij­gelegen McDonald’s.

Net als dat kwakje mayonaise op de sokkel.
Maarten Moll

Stadsmuur West

Sinds 2010
Kunstenaar Rob Birza
Waar Teldershof, Sam van Houtenstraa

Rob Birza maakt schilderijen, tekeningen, sculpturen, installaties, theaterdecors, keramiek en wat al niet. Zijn barokke en brutale oeuvre staat bol van paradoxen: Birza combineert hoge en lage cultuur, figuratief en abstract, sober en uitbundig, het geestelijke en het zinnelijke. In zijn Stadsmuur West, in 2010 opgetrokken in de Teldershof in Geuzenveld, komen al deze aspecten samen.

De opdracht van Ymere was destijds: maak een visuele scheiding tussen het plein en de kerk waarin een blijf-van-mijn-lijfhuis is gevestigd. “Kunst in de openbare ruimte is vergelijkbaar met theater,” aldus Birza. “Je hebt te maken met omstandigheden en met wat er al staat. Wat ga je daar dan neerzetten? Hoe groot moet het zijn en hoe opvallend?”

Birza stelde voor een enorme muur op te trekken, ruim 50 meter lang en op sommige plekken 8 meter hoog, die zigzaggend het hele gebied doorkruist. Een combinatie van kunst en architectuur. Het eclectische karakter wordt versterkt door de metseltechniek en de prachtige, grote, veelkleurige baksteen (wit, zwart, bruin, rood), die nog maar op één plek in Nederland wordt gebakken in een ringoven.

De muur doet denken aan een slangenmuur, waartegen in de luwtes exotische planten werden geplaatst in historische tuinen. Door de weerkaatsing van het zonlicht en de bescherming tegen wind konden zo planten gedijen die eigenlijk niet in ons klimaat pasten.

In de holtes van zijn muur plaatste Birza grijze bankjes, waarop je enigszins beschut kunt zitten. Ze staan zowel aan de voor- als aan de achterkant, dus ze zijn er ook voor de bewoners van het blijf-van-mijn-lijfhuis. Voor de bankjes aan de stadskant moest hij overigens flink zijn best doen; de buurt vreesde dat ze in gebruik zouden worden genomen door hangjongeren.

Op de muur zijn betonnen elementen geplaatst, in dezelfde kleur grijs als de bankjes, die verwijzen naar de vreemdvormige ornamenten op de kerktoren. Misschien wel het mooiste detail van Stadsmuur West: vanaf de trappen bij de Sam van Houtenstraat vormt de uitgespaarde halve cirkel boven de entree – een soort Romeinse apsis – een perfecte cirkel met het bovenste gedeelte van het enorme kerkraam.

Birza’s veelzijdigheid en zijn onconventionele sampling van stijlen, materialen en technieken keert terug in andere werken. In de Utrechtse wijk Lunetten plaatste Birza het werk Temple of Boom. De getrapte sokkel heeft de vorm van een Incatempel; daarop staat een vier meter hoge champignonvorm van polyesterhars met in spiegelbeeld de naam LUNETTEN en pijlen die naar links en rechts wijzen.

Op Schiphol maakte hij Vier Seizoenen: grote, verlichte reliëfs in pastelkleuren, die zachtjes lijken te ademen. En voor het atrium van B30, in het voormalige gebouw van het ministerie van Economische Zaken in Den Haag, maakte Birza een schitterende mozaïekvloer van natuursteen en edelsteen in messing kaders.
Jan Pieter Ekker

De gedenksteen voor het voormalig huis van bewaring van Pieter Zaanen. Beeld Nina Schollaardt
De gedenksteen voor het voormalig huis van bewaring van Pieter Zaanen.Beeld Nina Schollaardt

Zwerfkei
Sinds 1992
Kunstenaar Pieter Zaanen
Waar Max Euweplein

Debatcentrum De Balie geldt als ‘huis van het vrije woord’ maar het gebouw had vroeger een heel andere, tegengestelde functie. Het werd in 1848 neergezet als eerste cellulaire gevangenis van Nederland, met de mogelijkheid van eenzame opsluiting. In 1890 werd het pand verbouwd om ook een kantongerecht te huisvesten. De bijzonder goede akoestiek van de grote zaal is te danken aan de rechtspraak die hier werd gesproken – alles moest goed hoorbaar zijn.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog namen de Duitse Sicherheitsdienst (SD) en Gestapo hun intrek. Twintig- tot dertigduizend verzetsstrijders, Joden, zwarthandelaren en anderen hebben hier kortstondig gevangen gezeten voordat ze op transport werden gezet naar een concentratiekamp of even verderop, aan het Eerste Weteringplantsoen, werden geëxecuteerd. Ook de familie van Anne Frank heeft hier een paar nachten gebivakkeerd.

Twee keer pleegde het verzet een aanslag op de gevangenis en beide keren liep het uit op een mislukking en de arrestatie van de daders. De eerste actie kwam op conto van Gerrit van der Veen, die een jaar eerder een overval op het bevolkingsregister had geleid. Die operatie was deels succesvol. Een deel van de persoonskaarten werd vernietigd waardoor de Duitsers minder makkelijk Joden konden opsporen, maar elf leden van Van der Veens team werden verraden. Een van hen was kunstenaar Willem Arondeus, die op 4 mei dit jaar door Sarah van Sonsbeeck werd geëerd met een monument in de vorm van het schuimtaartje dat hij vroeg als galgenmaal.

Veel blijvender is de gedenksteen die Pieter Zaanen in 1992 plaatste naast de voormalige gevangenis. Het is een zwerfkei die in tweeën is gesplitst. Een stalen verankering houdt ze bij elkaar. Op de gepolijste breuklijn is een tekst van dichter en historicus Richter Roegholt gegraveerd: Misdaad gestraft / Vrijheid gefnuikt / Visioen bevochten / Een open stad. De steen is met opzet vrij laag geplaatst en om de regels goed te kunnen lezen, moet je een beetje buigen, een teken van respect.

De maker, Pieter Zaanen, is geen kunstenaar maar architect. Hij tekende voor de nieuwbouw van begin jaren negentig rondom het Max Euweplein: winkels, kantoren en een casino. Een jaar na de onthulling kreeg de zwerfkei gezelschap van Bernard Heesens Tranen voor het verzet. Dat bestaat uit grote glazen druppels tegen een felblauwe achtergrond. Eronder hangt een bord waarop de geschiedenis van deze locatie expliciet wordt uitgespeld. Zodat ze tussen al die aardse frivoliteit niet vergeten wordt.
Edo Dijksterhuis

De kunstenaar zelf heeft het beeld al twintig jaar niet gezien, vertelt hij telefonisch.  Beeld Nina Schollaardt
De kunstenaar zelf heeft het beeld al twintig jaar niet gezien, vertelt hij telefonisch.Beeld Nina Schollaardt

Cabane
Sinds 1980
Kunstenaar Pjotr Müller
Waar Amstelpark

Het is even zoeken naar Cabane. Op de plattegronden die her en der in het Amstelpark staan wordt het beeld van Pjotr Müller niet aangegeven. De machinist van het treintje dat in het park rondrijdt herkent het kunstwerk van een foto en volgens hem moet het ergens langs het spoor liggen. Dat blijkt juist niet zo te zijn, want het beeld staat midden in de Japanse tuin, vlak bij de grote vijver.

Die locatie komt ook niet overeen met oude foto’s van Cabane, waar het werk duidelijk op een grasveld staat. De kunstenaar zelf heeft het beeld al twintig jaar niet gezien, vertelt hij telefonisch. “Ik heb wel op een foto gezien dat het een andere vorm heeft gekregen. Ze hebben het blijkbaar ook verplaatst.” Waarom Cabane in de Japanse tuin staat, weet Müller niet. Het werk heeft in elk geval niets met Japan te maken.

Pjotr Müller woont in Amsterdam, maar zijn beeldhouwatelier is in de Dordogne, waar hij nu ook verblijft. “Ik heb het gemaakt voor een tentoonstelling in het Amstelpark van de Nederlandse Kring van Beeldhouwers. De gemeente heeft het toen aangekocht, maar het was eigenlijk alleen bedoeld voor die tentoonstelling. Er stond een houten staketsel in en daar heb ik gewoon tegenaan gestapeld. Toen ze het wilden aankopen heb ik gezegd dat het beeld niet voor de eeuwigheid was. Ik wilde wel een staketsel van roestvrijstaal maken en de stenen dan opnieuw stapelen, maar daar heb ik eigenlijk nooit meer wat van gehoord.”

Het oorspronkelijke werk was veel puntiger en hoger. De losse stenen zijn nu gevoegd met mortel, maar ze lagen aanvankelijk dus los. “Dat was geïnspireerd op de bories of cabanes hier in Frankrijk. Herders en boeren halen stenen uit het weiland en maken er dan een schuilhutje van. Ik vond dat een simpele en handige manier om tot iets te komen.” Müller vond het ook goed dat het kunstwerk daardoor een beetje anoniem is, of ‘handtekeningloos’.

“Je ziet niet dat er zo nadrukkelijk een kunstenaar mee bezig is geweest, dat vond ik toen ontzettend aangenaam. Ik had er altijd bezwaar tegen dat een kunstenaar zelf op de sokkel stond in plaats van het beeld, al is dat bezwaar nu een stuk minder geworden.”

Het is ook een tijdloos beeld en ziet eruit alsof het eeuwenoud is. “Dat heeft mijn werk wel vaker. Ik heb ooit een wandeling gemaakt langs alle hunebedden in Drenthe. Die zijn ook heel krachtig van vorm en zijn de reden dat ik met die hutten begonnen ben.”
Kees Keijer

Ban-of limietpaal in Oosterpark. Beeld Nina Schollaardt
Ban-of limietpaal in Oosterpark.Beeld Nina Schollaardt

Ban- of limietpalen

Sinds 1838/1954
Kunstenaar onbekend
Waar Oosterpark

De beeldendichtheid in het Oosterpark is opvallend groot. Het Slavernijmonument van Erwin de Vries uit 2002 is het bekendst, maar er is veel meer, in alle stijlen en uit heel verschillende tijden. Bij de recentste, grondige renovatie van het park zijn ze allemaal op hun plek blijven staan. Hun directe omgeving is soms wel veranderd.

Op de plek vlak bij waar eerst de skatebaan en een zandbak voor de kleintjes waren, staan twee vrijwel identieke stenen zuilen in een plantsoen. Bij allebei is bovenaan het wapen van Amsterdam uitgehakt, met de drie welbekende kruisen en de keizerskroon. Op een ervan is ook de tekst ‘Kom der gemeente Amsterdam’ uitgehakt. Op stalen plaatjes op de sokkel staat bij beide het jaartal 1838.

Het gaat om limietpalen, ooit bedoeld om de grenzen van Amsterdam aan te geven, vanaf de 17de eeuw werden ze geplaatst. Wat doen die twee limietpalen hier zo vlak bij elkaar in het Oosterpark? Ze stonden eerder op andere plekken aan de buitenkant van de stad. Via de nodige omzwervingen belandden ze hier. Zo stonden ze na gedane dienst als grenspaal een periode in de tuin van het Stedelijk Museum. Toen daar een nieuwe vleugel werd gebouwd, verhuisden ze in 1954 naar de tuin van het sanatorium dat toen nog in het Oosterpark was gevestigd.

Eveneens in 1954 verhuisde van het Stedelijk naar het Oosterpark een derde historische limietpaal, die in vorm afweek van de andere twee en ook veel ouder was. Dat exemplaar uit 1624 staat inmiddels weer vlak bij zijn originele plek op de Spaarndammerdijk, waar hij ooit nog werd getekend door Rembrandt.

Limietpalen worden ook wel banpalen genoemd. Ze ontlenen hun naam aan het oud-Nederlandse woord banne, dat rechtsgebied betekent. Uit de stad verbannen personen, zoals dieven, oplichters en prostituees, mochten zich niet in het gebied binnen de banpalen begeven.

In een artikel dat Ons Amsterdam in 2005 wijdde aan Amsterdamse banpalen wordt zo’n verbanneling beschreven: Anna Arendsdochter, die in 1609 Amsterdam uit moest. In de stad had ze meerdere keren gedaan of ze van de duivel was bezeten, waarbij handlangers tijdens de opschudding die dat veroorzaakte aan het zakkenrollen sloegen. Anna Arendsdochter werd niet alleen voor vijftig jaar uit de stad verbannen, ze kreeg ook de drie Amsterdamse kruisen op haar rug gebrandmerkt.

Overigens konden in de 17de eeuw ook dobbelen of vloeken leiden tot een bestaan buiten de banpalen.
Peter van Brummelen

Vrede, Hans Reicher Beeld Nina Schollaardt
Vrede, Hans ReicherBeeld Nina Schollaardt

Vrede

Sinds 1962
Kunstenaar Hans Reicher
Waar Radioweg (Watergraafsmeer)

Op pagina 3 van Het Vrije Volk van zaterdag 11 augustus 1962 staan droevige berichten. Over de dertienjarige Jozef Mesak Serpara die in de Liniegracht in Den Helder is verdronken. En over drie Groesbeekse broertjes die een gevonden ‘hels projectiel’, uit de oorlog achtergebleven, met een hamer een nijptang probeerden te demonteren. De oudste broer overleed daarbij. En in Engeland doodden dolle koeien een boer.

Linksboven op de pagina staat een met de nare berichten contrasterende foto. Daarop een beeld van een knielende naakte vrouw die een duif vrijlaat. Onderschrift: ‘Amsterdam gaf de beeldhouwer Jan Reicher alle vrijheid een beeld te ontwerpen voor het plantsoen aan de Radioweg. Reicher mocht zijn onderwerp zelf kiezen en is erin geslaagd een fraai naakt te vervaardigen. Het is in brons uitgevoerd en ruim twee meter hoog. Vanaf een rood Zweeds granietblok schenkt zij een duif aan de lucht…’

Aldus Het Vrije Volk, al was de voornaam van de figuratieve, en in het Duits-classicisme gevormde kunstenaar niet Jan Reicher, maar Hans Reicher. Door het ‘gat’ in het beeld, tussen het hoofd, de armen, en de duif die wordt vastgehouden, doet het (ondergetekende) denken aan het beeld De verwoeste stad van Zadkine dat in Rotterdam staat.

Vrede, is de titel van het beeld; het is een indirecte verwijzing naar de Tweede Wereldoorlog, maar desalniettemin staat het niet bekend als oorlogsdocument of monument ter herdenking. Reicher maakte overigens wel oorlogsmonumenten, zoals De Fakkeldragers, voor de grafische werkers in het verzet. Het beeld stond in de hal van de Grafische School in de Dintelstraat, maar is in 1985 gestolen.

Aan een fraai naakt was men vroeg in de jaren zestig in Amsterdam nog niet zo gewend. Het realistische beeld, midden in een woonwijk, riep weerstand op. Soms werd het beeld ‘aangekleed’ met een witte geschilderde beha. Van haar sokkel getrokken is het beeld nooit.

Johannes ‘Hans’ Reicher werd in 1895 in Berlijn geboren en volgde daar een opleiding aan de Hochschule für Bildende Künste. Niet lang daarna vestigde hij zich in Nederland. Eerst in Den Haag, en vanaf 1937 in Amsterdam, waar hij ook kunstdocent werd op de Hendrick de Keyserschool, een particuliere avondopleiding in De Pijp. Hij was lid van De Onafhankelijken, een Amsterdamse vereniging van beeldend kunstenaars, en exposeerde in het Stedelijk. Vrede was een van de laatste beelden die hij maakte. Hans Reicher overleed in 1963 in Amsterdam. De Fakkeldragers is nooit teruggevonden.
Maarten Moll

Het naamloze werk van Geelen op de Westerdoksdijk. Beeld Nina Schollaardt
Het naamloze werk van Geelen op de Westerdoksdijk.Beeld Nina Schollaardt

Zonder titel

Sinds 2017
Kunstenaar Guido Geelen
Waar IJdok/Westerdoksdijk

Hij heeft een geheimhoudings­verklaring getekend, meldt kunstenaar Guido Geelen direct; de naam van zijn opdrachtgever mag hij niet noemen. Maar verder vertelt hij graag over zijn beeld op de kruising van het IJdok en de Westerdoksdijk, pal naast het Paleis van Justitie, want hij vindt het ‘echt heel chic dat deze mensen anoniem Amsterdam zo’n cadeau hebben gegeven’.

In 2015 werd de gerenommeerde Tilburgse kunstenaar – in 2000 kreeg hij de Dr. A.H. Heinekenprijs voor de kunst én had hij een grote tentoonstelling in het Stedelijk Museum – benaderd door een tussenpersoon, Marco Cops van Wiseguys, urban art projects. Geelen werkte vervolgens in een half jaar twee voorstellen uit; de keuze viel op zijn idee voor een werk met de afmetingen van een (gekantelde) 40 ft.-zeecontainer: 12 meter hoog, 2,60 meter breed, 2,44 meter diep.

Het opmerkelijk transparante kunstwerk symboliseert de bedrijvigheid van de Amsterdamse haven, aldus Geelen. Het vertaalt waarden als werklust, saamhorigheid en ondernemerszin en verbindt het lokale met het internationale. De locatie aan het IJ is bewust gekozen. Het IJ was en is een belangrijke levensader van Amsterdam. Bovendien zijn er ten noorden van het IJ grote stedelijke ontwikkelingen; het beeld markeert de grens tussen de oude binnenstad en het land waar de stad groeit.

Het beeld valt in twee gelijke delen uiteen: een zes meter hoge sokkel van brons, bestaand uit de ribben van de denkbeeldige halve container. Daarboven staat het eigenlijke beeld, dat bestaat uit aan elkaar gelaste cirkels met verschillende diameters. De cirkels zijn gemaakt van siliciumbrons. Giettechnische interventies, zoals gietkanalen en gietbekers, maken deel uit van het artistieke concept en zijn dus zichtbaar aanwezig; lasnaden, voedingssysteem, technische en esthetisch aanvaard­bare gietfouten zijn expres niet weggewerkt.

“Een cirkel heeft geen begin en geen einde, die voert je altijd weer terug naar jezelf,” aldus Geelen. “Daarmee verwijst het naar alle cyclische processen. De cirkel is ook het symbool van het niets, de leegte. En van de absolute vrijheid, door niets gebonden. In het boeddhisme symboliseert de cirkel de harmonie tussen alle geestelijke krachten, de verlichting. De in elkaar grijpende cirkels verwijzen ook naar samenwerking en verbinding.”

De zeecontainer is niet het enige buitenbeeld van Geelen in Amsterdam; voor Tussen de Bogen, evenwijdig aan de Haarlemmer Houttuinen, maakte hij eind vorige eeuw al 35 goudkleurige ‘uithangborden’ van beesten en alledaagse voorwerpen – onder meer een computer, een gitaar en een stofzuiger. Een van die beelden – een levensgrote, goudkleurige hond – is op dit moment in het kader van ArtZuid tevens te zien op een gevel aan de Apollolaan.
Jan Pieter Ekker

Versie twee van De aardige Amsterdammer van Laszlo Gèleng en Klaas Hartzema strekt zich uit naar de hemel. Beeld Nina Schollaardt
Versie twee van De aardige Amsterdammer van Laszlo Gèleng en Klaas Hartzema strekt zich uit naar de hemel.Beeld Nina Schollaardt

De aardige Amsterdammer

Sinds 2012
Kunstenaars Laszlo Gèleng, Klaas Hartzema
Waar Droogbak, zijde Nieuwe Westerdokstraat

Het vingertje op de Eenhoornsluis heeft er niet lang gestaan. Het bronzen beeldje was een eerbetoon aan Nel van Dijk, de bevlogen straatmanager van de Haarlemmerstraat en -dijk die in 2019 is overleden. Op haar sterfbed had ze gezegd geen grafsteen te hoeven, maar een priemend vingertje waar voorbijgangers over zouden struikelen leek haar wel leuk. Een anonieme kunstenaar liet haar wens in vervulling gaan. Een net zo anonieme vandaal, of waarschijnlijker: verzamelaar, liet het sculptuurtje weer verdwijnen.

Zes jaar geleden gebeurde hetzelfde met een soortgelijk eerbetoon. Het beeld De aardige Amsterdammer werd in 2012 neergezet op het pleintje dat ingeklemd zit tussen het spoor en de Nieuwe Westerdokstraat. Het enige pand aan dit pleintje huisvest De Regenboog Groep, een organisatie die dak- en thuislozen steun biedt. Kunstenaar Klaas Hartzema werkte hier als begeleider toen hij dit monument voor alle vrijwilligers van de stad maakte. De constructie was echter niet helemaal hufterproof en drie jaar later werd het beeld tijdens Koningsdag van zijn sokkel gerukt.

Het oorspronkelijke werk was een linkerhand uitgevoerd in wit kunststof. De pols kwam uit de sokkel en knikte een beetje zodat de gekromde vingers zich lijken uit te strekken voor het schudden van een andere hand. De lichte kanteling naar achteren geeft de beweging iets vragends. Met een beetje fantasie laat het beeld zich vergelijken met de hand die Adam uitstrekt naar God in Michelangelo’s beroemde plafondschildering van de Sixtijnse kapel.

Het vervangende beeld dat Hartzema ontwierp in samenwerking met Laszlo Gèleng is gemaakt van brons en staat stevig verankerd. Niet alleen het materiaal is anders, ook de vorm. De vingers van de hand staan nu naar boven gericht. Er spreekt wanhoop uit dit gebaar, alsof er wordt getast naar een laatste strohalm.

Bij de plaatsing van het eerste beeld werd ook voor de eerste keer De aardige Amsterdammer van het jaar uitgeroepen. Dat was Herman Kuijl, jarenlang vrijwilliger bij Blaka Watra, het inloophuis voor daklozen en verslaafden, en buddy voor kwetsbare stadsgenoten. In een reactie op AT5 zei hij het best raar te vinden die titel te krijgen voor iets wat hij normaal vindt, maar een eer vond hij het wel.

Sindsdien wordt ieder jaar een vrijwilliger in het zonnetje gezet. Aan kandidaten geen gebrek. Volgens een recent rapport van de Vrijwilligersacademie Amsterdam doen Amsterdammers vaker dan gemiddeld iets voor het gemeenschappelijke goed zonder daar betaling voor te verlangen. Bijna vier op de tien Amsterdammers doen vrijwilligerswerk.
Edo Dijksterhuis

Baksteen sculptuur en vijver, door Per Kirkeby. Beeld Nina Schollaardt
Baksteen sculptuur en vijver, door Per Kirkeby.Beeld Nina Schollaardt

Baksteen sculptuur en vijver

Van Per Kirkeby
Geplaatst 1990
Waar Hildo Kropplein

Het plein draagt de naam van een beeldhouwer die als geen ander zijn stempel drukte op het straatbeeld van Amsterdam. Misschien daarom staan op het Hildo Kropplein in Oost twee kunstwerken in de openbare ruimte dicht bij elkaar. Langs de J.M van der Meylaan staat een transformatorhuisje.

Het werd in 1989 door Carolien Feldbrugge getransformeerd tot een reuzenversie van een blik corned beef.

Meer richting de Cruquiusweg staat een ander kunstwerk, een bakstenen gebouw zonder ramen of deuren. Het staat er sinds 1990 en werd ontworpen door de Deense kunstenaar Per Kirkeby (1938-2018). Je kunt er wel in, maar het is onduidelijk of het gebouw een functie heeft en wat deze dan zou moeten zijn. De strenge vormen van het bouwwerk contrasteren met een vijver daarnaast, die bij het kunstwerk hoort en juist golvende contourlijnen heeft.

Ze lijken niets met elkaar te maken te hebben, maar toch zijn de sculptuur van Kirkeby en het huis van Feldbrugge verwant. Ze verwijzen naar het verleden van de omgeving, waar van 1888 tot 1988 een groot abattoir en een veemarkt waren gevestigd.

Kirkeby werd geïnspireerd door goede herinneringen aan zijn jeugd in Kopenhagen, toen hij veel bij een bakstenen muur langs het water speelde. Met dit gebouwtje wilde hij kinderen een vertrouwde plek geven om te spelen en zich te verstoppen. Of dat gelukt is weten we niet. Het gebouwtje lag er op een zomerse dag in elk geval een beetje verlaten bij. Binnen stond een blikje bier. Er was wat graffiti. De stenen zijn hier en daar groen uitgeslagen. Boven de bogen groeien struiken, wat niet de bedoeling kan zijn en op den duur funest is voor het kunstwerk.

Het gebruik van baksteen is niet toevallig. Kirkeby maakte decennialang in allerlei landen bakstenen sculpturen die op kleine monumenten of huizen lijken. Voor Kirkeby was het materiaal een verwijzing naar Kopenhagen; en natuurlijk ook naar Hildo Krop en de Amsterdamse School, dat kwam in dit geval mooi uit. Zo’n honderd jaar geleden was de expressionistische baksteenarchitectuur in beide steden razend populair. Daarnaast komen de vormen van de bogen overeen met de pakhuizen – nu verbouwd tot woningen – aan de Zeeburgerkade.

Het gebouwtje doet ook een beetje denken aan industrieel erfgoed, aan een restant van een groter complex. Dat is ook precies de bedoeling, want Kirkeby wilde de vroegere veemarkt en slachterij in herinnering brengen. Geschiedenis was vaak belangrijk in zijn werk.

Kirkeby werd overigens opgeleid als geoloog. Hij nam deel aan diverse expedities naar Groenland en had toen ook een soort slachthuismomentje. Kirkeby werd samen met een collega aangevallen door een ijsbeer, waarna ze het dier met een schot door het linkeroog gedood hebben.
Kees Keijer

Rotsvast

Van Rob Ligtvoet
Geplaatst 1982
Waar Flevopark

Rotsvast, door Rob Ligtvoet. Beeld Nina Schollaardt
Rotsvast, door Rob Ligtvoet.Beeld Nina Schollaardt

De klimaatcrisis is echt, bevestigden de recente overstromingen in Limburg nog maar eens. Maar nieuw zijn overstromingen natuurlijk allerminst in Nederland. In 1422, zes eeuwen geleden dus, beukte de Zuider­zee door de Diemerzeedijk, waardoor aan de oostkant van Amsterdam het meer ontstond dat we nu kennen als het Nieuwe Diep.

Rond het Nieuwe Diep werd in de jaren twintig van de vorige eeuw het Flevopark aangelegd. Aan de oever van het water staat een klein bronzen beeld. Het is een abstract werk, dat lijkt te bestaan uit twee, van boven naar beneden taps toelopende delen, maar de vorm doet denken aan een keukentrapje. Loop er langs met kinderen langs en gegarandeerd dat ze even op het ‘trapje’ willen zitten, de voetjes op een uitstekend deel aan de onderkant dat iets heeft van een trede. Opvallend is het geribbelde reliëf van het beeld.

Maar wat is dit voor beeld? Wie maakte het? En hoe lang staat het er al? Stadsdeel Zeeburg had lang echt geen idee. In de archieven was er niets over te vinden, in opdracht van de gemeente werd het dus in elk geval niet gemaakt. Op de ­eigen website deed het stadsdeel in 2007 een oproep, die werd overgenomen door Het Parool en RTV Noord-Holland.

En toen melde zich kunstenaar Rob Ligtvoet (1939-2017). Het beeld bleek Rotsvast te heten en hij had het gemaakt in de jaren zeventig. Lang had het op Ligtvoets atelier gestaan, maar toen hij in 1982 verhuisde, had hij er geen ruimte meer voor. Met een stel sterke vrienden plaatste de kunstenaar het aan de oever van het Nieuwe Diep. Dat het daar 25 jaar lang had gestaan zonder dat iemand wist waar het vandaan kwam, vond hij wel mooi.

Voor prietpraat over zijn artistieke beweeg­reden moest je niet bij Ligtvoet zijn. Over Rotsvast zei hij in 2007: “Het is precies wat het is, een rotsachtig ding. Iedereen moet zelf weten wat hij erin wil zien.”

Anders dan het lijkt, bestaat Rotsvast niet uit twee delen, maar is het beeld gemaakt van één grote bronzen plaat. Het geribbelde reliëf heeft zijn oorsprong in IJmuiden. Met gips maakte Ligtvoet daar een afdruk van het strandzand die hij later in brons vatte. Wat dat betreft had Rotsvast niet op een mooiere plek kunnen staan dan aan het Nieuwe Diep. Het is alsof de golfjes van het water zich weerspiegelen in het beeld.
Peter van Brummelen

Boom

Van Marianne van den Heuvel
Geplaatst 2000
Waar Vrolikstraat

Boom, door Marianne van den Heuvel. Beeld Nina Schollaardt
Boom, door Marianne van den Heuvel.Beeld Nina Schollaardt

Twee cijfers, onder elkaar in steen gegraveerd: 1980, 1993. Tussen die jaartallen leefde Zülbiye Gündüz. Twaalf was ze, toen ze op 23 maart 1993 om half negen in de ochtend in de Vrolikstraat tegenover een verwarde man kwam te staan. Hij zwaaide met een tafelpoot die hij bij het grofvuil had gevonden. Hij sprak haar aan, maar Zülbiye gaf geen sjoege en liep door, op weg naar school.

Een getuige zag dat de man de tafelpoot met twee handen vastpakte en op het meisje insloeg. Hij zou stemmen hebben gehoord die hem tot deze daad dreven. Bloedend lag ze op straat. Op weg naar het ziekenhuis, in de ambulance, overleed ze aan een schedelbreuk en hersenletsel.

Met de mededeling ‘ik heb mogelijk iemand neergeslagen’, meldde de man zich bij het politiebureau ’s-Gravesandeplein. Waarna hij de benen nam. De man werd de volgende dag gearresteerd in een daklozenpension.

Het meisje en de man bleken buren te zijn in de Vrolikstraat. Er werd onmiddellijk door buurtbewoners een provisorisch monument opgetuigd, dat later sneuvelde bij de herinrichting van de Vrolikstraat.

In februari 2000 kwam er een permanent monument: Boom. Gemaakt van Belgisch hardsteen, door Marianne van den Heuvel (1947). Ter hoogte van nummer 38, op de kruising tussen de Vrolikstraat en Iepenweg. Verwerkt in een muur die een kleine speeltuin scheidt van de openbare weg. Met aan de voet van het monument mozaïektegels afkomstig van het ‘eerste’ gedenkteken.

Van den Heuvel: “Voor het Amsterdams-Turkse meisje Zülbiye, dat in de Amsterdamse Vrolikstraat werd vermoord, maakte ik in opdracht van de stadsdeelraad Watergraafsmeer/Amsterdam-Oost het monumentje ‘Boom’. De boom is zowel in onze als ook in de islamitische cultuur het symbool van de band tussen leven en dood: een boom die wortelt in de aarde en groeit naar de hemel.”

Symbolisch is ook dat een boompje, dat pal naast het beeld is geplant, die stenen boom een beetje aan het oog onttrekt. Zo staat het er vrij onopvallend bij, dat monument. En omdat veel mensen wellicht niet wisten wat een dramatisch verhaal er achter dat kleine beeld schuilgaat, werden er nogal eens afval en fietsen voor ­geplaatst, waardoor Boom aan het oog werd onttrokken. De gemeente zette er een soort verkeersbord bij: ‘Gedenkteken. Gelieve hier géén objecten te plaatsen.’

De 34-jarige man die Zülbiye doodsloeg, werd in augustus 1993 veroordeeld tot twaalf jaar cel en tbs met dwangverpleging wegens moord. Zülbiye kreeg een begrafenis in Turkije, ze ligt naast haar grootvader.

Maarten Moll

Amphitrite

Van Albert Termote
Geplaatst 1956 / 2009
Waar Kop KNSM-laan

Het is een heerlijk overdadig fonteinbeeld: Amphitrite van de Belgische beeldhouwer Albert Termote (1887-1978). De godin van de zee, haar blik smachtend gericht naar de hemel, zit onhandig balancerend op de rug van een steigerende hippocampus (half paard half vis) die in een ondiepe vijver staat. Achter haar duikt een dolfijn op uit het bassin; voor haar blaast haar zoon Triton (half mens half vis) de hoorn. Er gutst water uit de neusgaten van de hippocampus, zoals er ook water spuit uit de ogen van de dolfijn. Op een rotsblok in het water staat het gelegenheidsgedicht Amphitrite van A. Roland Holst (in moeilijk leesbare kapitalen):

Dochter van Nereus
hoog te paard, hoe raast
de branding waar uw zoon
de zeehoorn blaast!
Luidt weer een eeuw hij
in voor onze schepen?
Uw wild hart bleef hun
harten steeds het naast.

Termote en Roland Holst kenden hun klassieken: in de Griekse mythologie sloeg Amphitrite op de vlucht nadat Poseidon haar tot zijn gemalin had verkozen. De god van de zeeën en de wateren (en van de paarden en de aardbevingen) liet het er niet bij zitten en stuurde een dolfijn achter haar aan. Het lukte de dolfijn haar mee terug te brengen. Nadat Poseidon Amphitrite had gehuwd, beloonde hij het beestje door hem in een sterrenbeeld te veranderen en aan de hemel te plaatsen.

Het bronzen fonteinbeeld van Termote kent zelf ook een roerige geschiedenis. De fontein is in 1956, bij het honderdjarig bestaan van de Koninklijke Nederlandsche Stoomboot Maatschappij (KNSM), door het personeel van de rederij geschonken – de bijdrage daarvoor werd automatisch ingehouden op het loon. Jarenlang stond het in een door Mien Ruys ontworpen parkje op het KNSM-eiland, maar nadat in 1980 de laatste activiteiten van de KNSM van het Oostelijk Havengebied naar Havens West en Rotterdam waren verplaatst, werd de beeldengroep gedemonteerd en opgeslagen.

Door bemoeienis van de Kroonvaarders, de vereniging van voormalig personeel van de KNSM, kreeg Amphitrite in 1989 een plek in het water van het Oosterdok. Die locatie bleek niet ideaal; het beeld werd aan het gezicht onttrokken door de bouw van architectuurcentrum Arcam en kwam steeds verder in de verdrukking door de aanleg van steigers.

Vanaf 2000 werd gesproken over een mogelijke terugkeer van Amphitrite naar het KNSM-eiland, in 2009 was het eindelijk zover: na een grondige, mede door de Kroonvaarders gefinancierde restauratie staat de beeldengroep op de kop van de KNSM-laan – op een steenworp afstand van de Kompaszaal, een van de mooiste overblijfselen van de KNSM.

Jan Pieter Ekker

Ramses Shaffy, levenslijnen door Marjan Laaper. Beeld Nina Schollaardt
Ramses Shaffy, levenslijnen door Marjan Laaper.Beeld Nina Schollaardt

Ramses Shaffy, Levenslijnen

Sinds 2016
Kunstenaar Marjan Laaper
Waar Metrostation Vijzelgracht

Het pand waar nu Café Vijzel zit, heette vroeger De Gelaghkamer en was de stamkroeg van chansonnier en toneelspeler Ramses Shaffy (1933-2009). Toen schuin tegenover het etablissement een nieuw metrostation werd gebouwd, gingen al snel stemmen op deze halte te vernoemen naar de zanger van Sammy, Ik drink en ’t Is stil in Amsterdam. De gemeenteraad hield vast aan de naam Vijzelgracht maar schreef wel een wedstrijd uit voor een artistiek eerbetoon. ­Marjan Laaper won die.

De Rijksakademie-alumnus wilde geen gewoon portret maken, maar iets met meer lagen, meer poëzie. Ze verdiepte zich in de ­biografie We zien wel! (2011) van Sylvester Hoogmoed en kwam op het idee om een beeld van Shaffy te schetsen via de collega’s, vrienden en familie die hem gevormd hadden. Van levensloop associeerde ze al snel door naar levenslijnen: het patroon in een handpalm dat verschilt per persoon en volgens handlezers iemands lot beschrijft.

Laapers eerste klus was het uitdunnen van het aantal personages in de biografie. Uit een groslijst van wel zestig namen destilleerde ze er 28. Aanwezig vanwege haar afwezigheid is Shaffy’s moeder, een Pools-Russische gravin die hem op zijn zevende naar een tante stuurde omdat ze niet meer voor hem kon zorgen. Van Shaffy’s minnaars koos de kunstenaar voor Joop Admiraal, de man voor wie hij uit de kast kwam, en de veel minder bekende Vincent Walter, die de flamboyante levensstijl van de zanger niet kon bijbenen, alcoholist werd en op 46-jarige leeftijd overleed. Ook de toenmalige fine fleur van het Nederlands toneel, van Kitty Courbois en Ellen Vogel tot Ko van Dijk en Albert Mol, ­ontbreekt niet.

Als basis voor het portret koos Laaper een foto van W.A. Top uit 1968. Shaffy is dan in de bloei van zijn leven en op het toppunt van zijn roem. Het is een van de weinige foto’s waarop hij geen hoed draagt, nadrukkelijk poseert of dromerig wegkijkt. Laaper bracht de foto terug tot de contouren, die ze als een fotonegatief laat oplichten met LED-lampjes achter een glasplaat van 24 bij 13 meter.

De verlichte lijnen komen langzaam opzetten. Wie afdaalt met de roltrap ziet steeds iets anders. Een paar keer per uur is Shaffy’s gezicht als geheel te zien. Laaper ontwierp 39 verschillende sequenties waarin het portret lijn voor lijn wordt opgebouwd. Daardoor kan het soms abstract ogen: als een landschap of een sterrenformatie. Maar reizigers kunnen er ook een metroplattegrond in zien.

Edo Dijksterhuis

Abri en peperbus aan het Van Limburg Stirumplein, wachtruimte voor tramlijn 3 tussen Flevopark en Westergasfabriek. Beeld Nina Schollaardt
Abri en peperbus aan het Van Limburg Stirumplein, wachtruimte voor tramlijn 3 tussen Flevopark en Westergasfabriek.Beeld Nina Schollaardt

Abri en peperbus

Sinds 1997
Kunstenaar Frank Halmans
Waar Van Limburg Stirumplein

Het is een van zijn favoriete werken. Limburger Frank Halmans, al jaren woonachtig in de provincie Utrecht: “Ik kan er goed mee uitleggen wat ik in mijn werk voor de openbare ruimte doe.” Halmans probeert steeds een betekenislaag toe te voegen aan dingen die gewoon gebruikt worden. “Mensen hebben vaak niet eens door dat ze met beeldende kunst te maken hebben.”

Abri en peperbus lijken gewoon wat ze zijn. Een modernistisch bouwsel uit de wederopbouw als wachthuisje voor de tram en een peperbus. Totdat je in de abri plaatsneemt en de bronzen sanseveria’s voor de ruiten ziet.

Halmans: “Ik ben in mijn werk vaak met wachten en tijd bezig. Als je met het openbaar vervoer reist, moet je met extra tijd rekening houden. Je vertrekt altijd eerder. Dus thuis ben je eigenlijk al half aan het wachten. Wat je doet, doe je in elk geval met halve aandacht. Je hebt misschien ook achter de vensterbank naar buiten gekeken en denkt op een gegeven moment: nu is het tijd. Dan ga je naar buiten en dan sta je in een tramhalte weer achter glas en weer achter een sanseveria.”

“Dat moment van contemplatie, dagdromen of verstilling tussen twee bewegingen in, is heel omslachtig om in een werk te vangen, maar dat is hier goed gelukt.”

De kunstopdracht was gericht op een wachtruimte, de peperbus noemt Halmans bijvangst. “Er stonden al een metalen transformatorhuisje en een peperbus, die zouden verdwijnen. Toen heb ik als niet-Amsterdammer gezegd: die peperbussen zijn behoorlijk iconisch, ik zou het jammer vinden als hij weg zou gaan.”

Halmans koos dezelfde bank als in de wachtruimte als sokkel voor de peperbus. Leden van de begeleidingsgroep wilden de krakersbeweging terugzien in het werk, omdat zij daar in de jaren tachtig actief waren geweest. Een onmogelijke opdracht, maar Halmans vond een ironische oplossing. Hij ontwierp een soort spreekgestoelte bij de peperbus. “Dat is de plek waar de volgende revolutie kan worden aangekondigd.”

Halmans heeft Abri en peperbus al lang niet gezien, want hij heeft er een hekel aan om zijn eigen werk in de openbare ruimte te bezoeken. “Als ik op het Westergasterrein moet zijn, heb ik de neiging om een halte eerder uit te stappen. Deze dingen zijn een eigen weg gaan leiden. Ik herinner me ze het liefst zoals ze nieuw waren. Als ik het aantref en er is iets mee aan de hand, dan kan ik niet anders dan proberen te achterhalen wie daar nu verantwoordelijk voor is. Dat is eigenlijk heel vervelend werk.”
Kees Keijer

Monument voor de Tachtigers in het Oosterpark Beeld Nina Schollaardt
Monument voor de Tachtigers in het OosterparkBeeld Nina Schollaardt

Monument voor de Tachtigers

Sinds 1992
Kunstenaar Jan Wolkers
Waar Oosterspark

We kennen Jan Wolkers vooral als schrijver natuurlijk, maar van huis uit was hij beeldhouwer. In heel Nederland staan werken van zijn hand, ook in Amsterdam, waar ze variëren van een naturalistisch standbeeld van een jongen met een haan boven zijn hoofd in Geuzenveld, tot het Auschwitzmonument (met de gebroken spiegels) in het Wertheimpark.

In het Oosterpark staat Wolkers’ Monument voor de Tachtigers, de schrijversbeweging die voor vernieuwing zorgde in de ingedutte literaire wereld van het Nederland van de late negentiende eeuw. Het beeld is van roestvrij staal (lekker onderhoudsvrij) en staat in de rietkraag van de grote vijver in het park.

Op het eerste gezicht zou je de vorm kunnen associëren met die van een vogel. Maar wat Wolkers verbeeldde waren een vlam en een golf. De inspiratie daartoe kwam uit een gedicht dat Hendrik Marsman in 1927 schreef bij de dood van Herman Gorter, de voornaamste Tachtiger en de man die zijn marathon­gedicht Mei (4381 versregels!) liet beginnen met de nog altijd graag geciteerde woorden: Een nieuwe lente en een nieuw geluid.

Op een verklarende lessenaar op de oever van de Oosterparkvijver staat een citaat uit Marsmans gedicht:

Hij was van vuur,
een golf, een vlam,
een stromend stuk natuur

Dat zijn mooie woorden. Maar het beeld van Wolkers staat er ook fijn bij, sierlijk en stoer ineen. Dat het uitgerekend hier staat, is niet toevallig. Aan de overkant van de straat langs de lange zijde van het park bevindt zich het Witsenhuis, ooit een trefpunt van de Tachtigers.

Het Witsenhuis dankt zijn naam aan Willem Witsen, de schrijver, etser en fotograaf die hier lang woonde en werkte (nadat hij de atelierwoning had over genomen van collega en vriend George Breitner). Graag ontving Witsen thuis schrijvers en kunstenaars, voor pittige discussies en lol. Behalve leden van de Tachtigers kwam zelfs de Franse dichter Paul Verlaine er over de vloer.

In het Witsenhuis herinnert aan dat bezoek nog altijd de zogeheten Verlainekamer, de kamer waar de Fransman sliep (eigenlijk Witsens eigen slaapkamer). De Verlainekamer is net als de rest van de eerste verdieping van het Witsenhuis op afspraak te bezoeken; meubilair, boeken en andere eigendommen van Witsen zijn nog allemaal aanwezig.

De overige vertrekken worden sinds 1943, zoals bepaald door Witsens weduwe, bewoond door schrijvers. Marga Minco schreef hier de kroniek Het bittere kruid, Thomas Rosenboom de roman Gewassen vlees.

Peter van Brummelen

Flowers, Oosterspoorplein Beeld Nina Schollaardt
Flowers, OosterspoorpleinBeeld Nina Schollaardt

Flowers

Sinds 2002
Kunstenaar Karel Appel
Waar Oosterspoorplein

Het beeld van Karel Appel leidt de aandacht een beetje af van een ander object op het Oosterspoorplein. Een ijzeren plaat waaruit letters zijn gesneden, waardoor je, omdat erachter een struik bloeit, letters van bloemen ‘leest’.

‘Muiderpoortstation
Vanaf dit station zijn tussen
3 oktober 1942 en 26 mei 1944
ruim elfduizend joden naar het
doorgangskamp Westerbork weggevoerd.
De meesten zijn vermoord in de
vernietigingskampen in Midden-Europa.’

Het plein, gelegen tussen de twee sporen van het Muiderpoortstation, is daardoor een historische, beladen plek. Iets verderop staat dan het bronzen beeld Flowers. Of de twee objecten iets met elkaar te maken hebben, of er op dit plein plaats kan zijn voor bloemen, is de vraag.

Feit is wel dat Karel Appel in 1921 in de nabijgelegen Dapperbuurt is geboren. En dat de kunstenaar, die stierf in 2006, tevreden was met de locatie. Eerder stond het beeld, dat hij in 1991 vervaardigde, in Den Haag, en op verschillende plekken in Italië. Op 5 september 2002 werd Flowers op het Oosterspoorplein onthuld. Het stadsdeel wil graag de herinnering aan ‘een van de belangrijkste kunstenaars van de twintigste eeuw’ levend houden.

Het beeld, 1,5 meter hoog en 2 meter breed, bestaat uit vier bloemen, drie liggende en een staande, en rust op een ronde sokkel.

Appel maakte het beeld op zijn Toscaanse landgoed ten zuiden van Florence van oude troep die hij raapte op het terrein van zijn wijnmakende en kunstverzamelende buurman. Hij gebruikte oude ploegmessen – de bloemen – en delen van wijnvaten – de stelen en de voet – om zijn beeld te construeren. Daarna goot hij het in brons, en noemde het Margriet. (Waarom is het omgetiteld in Amsterdam komen te staan?)

Tussen 2011 en 2014 was het Oosterspoorplein Appelloos. Iemand had de verleiding niet kunnen weerstaan om de staande bloem te plukken. De gemeente verwijderde het aangetaste beeld, de sokkel bleef staan, en sloeg het op.

Gelukkig had Appel nog een gieting van het beeld gemaakt: Madeliefjes. Dit was in het bezit van de kunstverzamelende wijnboer. De staande bloem van dat beeld werd door een bronsgieter nagemaakt, en op 11 december 2014 was ­Flowers weer compleet, en terug op het Oosterspoorplein. En daar staat het nog steeds.

Maar iemand in Amsterdam heeft nog een originele bloem van Karel Appel in bezit.

Maarten Moll

Het Gouden Kruis. Beeld Nina Schollaardt
Het Gouden Kruis.Beeld Nina Schollaardt

Het Gouden Kruis

Sinds 1990
Kunstenaar Han Goan Lim
Waar Kruising Schoonhovendreef-Schaikstraat

“Ik heb duidelijkheid willen scheppen op een onduidelijk kruispunt,” aldus de Rotterdamse beeldend kunstenaar Han Goan Lim over zijn Gouden Kruis, een constructivistisch sculptuur op een driehoekig grasveldje op de kruising van de Schoonhovendreef en de Schaikstraat, vlak bij het spoorviaduct. Lim maakte het in 1990, nadat hij als winnaar van een wedstrijd uit de bus was gekomen. Het was de tijd van de ‘percentageregeling voor beeldende kunst’, ter bevordering van kunst bij nieuwbouw in opdracht van het Rijksvastgoedbedrijf.

Lim bedacht een opengewerkte dubbele kruisvorm, opgebouwd uit vierkante en rechthoekige profielen. Het hoogste punt van de constructie reikt tot tien meter, en toch oogt het licht en subtiel, ook omdat de diagonale lijnen het overwegend horizontale architectonische beeld van de bebouwing van Gaasperdam doorbreken.

De kruisvorm staat volgens Lim voor ‘begrenzing’ en markeert de overgang tussen stad en landschap. Zoals de titel aangeeft, was het ‘grensobstakel’ oorspronkelijk goudkleurig (“Het gebruik van de kleur goud heeft een vervreemdende en paradoxale betekenis en verbijzondert het beeld.”), maar in de loop der jaren is het veranderd in een onbestemde, donkere bruinachtige kleur.

Omdat zijn kunstwerk daardoor veel somberder oogt dan zijn bedoeling was, diende Lim eerder dit jaar een aanvraag voor groot onderhoud in bij het stadsdeel. Daarbij voegde hij tevens een verzoek om – zoals ooit zijn bedoeling was – ledverlichting aan te brengen onder het beeld, waardoor het ’s avonds lijkt te gaan zweven. Ook hoopt hij dat Het Gouden Kruis van een andere, duurzamere kleur kan worden voorzien: zilver. De naam van zijn kunstwerk kan wat Lim betreft dezelfde blijven, maar mag ook veranderd worden in Double Cross – een titel die hij bij oplevering ook al gebruikte.

De aanvraag is inmiddels goedgekeurd door het Stadscuratorium, maar voordat het kunstwerk kan worden overgeschilderd moet er een ‘participatietraject’ worden doorlopen, en moet het dagelijks bestuur zich er nog over buigen. Voorlopig zal Het Gouden Kruis dus nog wel even bruin blijven.

Hoewel Han Goan Lim de pensioengerechtigde leeftijd inmiddels ruimschoots heeft bereikt, bekommert hij zich niet alleen om zijn eerder gerealiseerde werken. Hij is adviseur bij de totstandkoming van een landelijk Moluks monument op de Lloydkade in Rotterdam. En samen met Anne-Mercedes Langhorst heeft hij een monument ontworpen voor de Rotterdamse filmtycoon Abraham Tuschinski, dat een plek moet krijgen in Little C, een bekroond nieuwbouwproject aan de Rotterdamse Coolhaven.

Jan Pieter Ekker

De Reus van Bickerseiland. Beeld Nina Schollaardt
De Reus van Bickerseiland.Beeld Nina Schollaardt

Reus van Bickerseiland

Sinds 1647/2011
Kunstenaar Anoniem/Egon Schrama
Waar Bickerswerf

Weinig beelden in de Amsterdamse openbare ruimte hebben een geschiedenis zo lang en een actieradius zo groot als De Reus van Bickerseiland. De historie begint in 1631, als regent en handelaar Jan Bicker een van de westelijke eilanden koopt die in de decennia daarvoor zijn ontstaan door aanplemping. Hij vernoemt het naar zichzelf, Bickerseiland, en laat er een groot huis op bouwen. Onderdeel van dit vastgoed is een hoge toren, die Bicker uitzicht biedt over het IJ, waar zijn schepen met handelswaar uit de Levant komen aanvaren. De ­uitkijkpost wordt bekroond door een beeld van de Romeinse god Mars.

Dit houten beeld is waarschijnlijk gemaakt door een scheepstimmerman. Het heeft iets weg van boegbeelden op schepen, met dezelfde stijfheid, maar dan losstaand. De oorlogsgod is gehuld in een harnas met riem, draagt een schild in de ene en een speer in de andere hand en op zijn hoofd prijkt een ornamentele helm.

Doorgerot origineel

Als de toren in 1700 moet wijken, wordt De Reus naar beneden getakeld en krijgt hij een plaatsje op het terrein van scheepswerf De Reus, waar hij uitgroeit tot symbool van werklust. Een eeuw later wordt de werf overgenomen door Lucas Jonker, een grofsmid die onder meer het balkonhekwerk voor het Paleis op de Dam heeft gemaakt. Hij bouwt zijn bedrijf uit tot een fabriek die stoomketels en nautische hardware produceert.

Opvolgers in het familiebedrijf koesteren hun mascotte en laten in 1950 zelfs een replica maken, als het origineel doorgerot blijkt te zijn. Als de machinefabriek Hk. Jonker & Zn. in 1972 verhuist naar het Zuid-Spaanse Alicante, gaat De Reus mee. In die periode is Bickerseiland een verloederd stukje stad en staan ambitieuze projectontwikkelaars in de rij om te slopen en saneren. Bewoners hebben wel wat anders aan hun hoofd dan een verdwenen standbeeld.

Via Canada en Canarische Eilanden

Rond de eeuwwisseling is het eiland echter flink opgeknapt en komt een lobby op gang om De Reus terug te halen. De zoektocht leidt naar Canada, waar het beeld in de tuin van een van de Jonkernazaten ligt. Met de boot reist De Reus naar de Canarische eilanden, om zijn weg naar Amsterdam per vliegtuig te vervolgen. Na restauratie wordt het beeld op 6 juli 2011 onthuld door burgemeester Eberhard van der Laan.

De Reus staat niet langer op een toren, maar toch op hoogte. Hedendaags kunstenaar Egon Schrama ontwierp een metershoge metalen sokkel, met daarin gestanst de verzen die de lokale dichter Jan Witte wijdde aan deze ­‘krijger van grote waarde’.

Edo Dijksterhuis

null Beeld Jet de Nies
Beeld Jet de Nies
Het kunstwerk 11 Rue Simon-Crubellier ontleent zijn naam aan een fictief adres in Parijs, ­een appartement uit een roman van de Franse schrijver Georges Perec. Beeld Nina Schollaardt
Het kunstwerk 11 Rue Simon-Crubellier ontleent zijn naam aan een fictief adres in Parijs, ­een appartement uit een roman van de Franse schrijver Georges Perec.Beeld Nina Schollaardt

11 Rue Simon-Crubellier

Sinds 2018
Kunstenaar Matthew Darbyshire
Waar Stadionplein

De plek roept bij veel Amsterdammers tal van herinneringen op. Aan historische wedstrijden van Ajax, aan een snelle hap bij de Febo, maar ook als start- en eindpunt van touringcars. Busreizen naar strand, sneeuw of buitenlandse steden verliepen steevast via het Stadionplein.

Het was sowieso geen plek om lang te blijven of gezellig te verpozen. Een non-plaats, om de beroemde term van de Franse antropoloog Marc Augé te gebruiken. Net als snelwegen, vliegvelden of winkelcentra was het kale, winderige Stadionplein voor de meeste mensen een doorgangsplek.

Zoals bekend ging het plein op de schop. De touringcars verdwenen, de Febo bleef, zij het in een splinternieuw pand, naast een tandartsenpraktijk. Een kunstwerk mocht onderdeel worden van het nieuwe plein, waar omwonenden zich thuis konden voelen.

Persoonlijke plek

Die bewoners wilden aanvankelijk een fontein of een beeld van een klassieke grootheid. De Engelse kunstenaar Matthew Darbyshire wilde de lat iets hoger leggen. Een plek maken waar mensen zich thuis voelen en die tegelijk toegankelijk blijft voor iedereen. Een persoonlijke plek, die toch onderdeel is van de openbare ruimte.

Hij bouwde een kopie van een van de appartementen die op het plein uitkijken, op ware grootte. De plattegrond ligt er in beton, de meubels en andere spullen in het interieur zijn van brons. En iedereen kan zomaar binnenlopen, gaan liggen op de chaise longue van Satyendra Pakhalé, je sinaasappel uitpersen op de pers van Philippe Starck of je benen uitstrekken op de salontafel van Isamu Noguchi.

De titel 11 Rue Simon-Crubellier is ontleend aan een fictief adres in Parijs, een appartement uit een roman van de Franse schrijver Georges Perec. De inrichting heeft Darbyshire samen met omwonenden uitgekozen. De kunstenaar presenteerde een online interieurontwerpprogramma. De objecten met de meeste stemmen bepaalden de keuze voor de inrichting.

Scherpe kantjes

De meubels en gebruiksvoorwerpen zijn in elk geval zeer herkenbaar. Soms zijn het designklassiekers die nu peperduur zijn en vooral in musea zijn te bewonderen, zoals de postmoderne kast van Ettore Sottsass. Andere ontwerpen zijn gewoon nog te koop, zoals een ijskast, waterkoker of een stroomstrijkijzer. De objecten komen ook uit verschillende tijden. Er staat een iMac, maar ook een telefoon uit 1930. Wat de afzonderlijke voorwerpen met elkaar verbindt, is dat alles een beetje gestileerd is. De scherpe kantjes zijn er letterlijk afgehaald.

Er spuit overigens water uit de wasbak, de wc en de radiator. Hebben de omwonenden toch nog een fontein gekregen.

Zoals vijf strepen vier wanden zijn, 1 van de 103 putdeksels van De ontmoeting van Maria Barnas in het Diemerpark. Beeld Nina Schollaardt
Zoals vijf strepen vier wanden zijn, 1 van de 103 putdeksels van De ontmoeting van Maria Barnas in het Diemerpark.Beeld Nina Schollaardt

De ontmoeting

Sinds 2003
Kunstenaar Maria Barnas
Waar Diemerpark, IJburg

Ooit lag hier een van de beruchtste vuilstortplaatsen van het land en tot in de jaren zeventig werd er chemisch afval verbrand. Foto’s van die verbrandingen, met enorme zwarte rookwolken, ogen of ze in oorlogsgebied zijn gemaakt. En volgens de overlevering zagen schippers van de vrachtschepen op het nabijgelegen Amsterdam-Rijnkanaal soms ontploffende vaten chemicaliën voorbijvliegen.

En nu is er het Diemerpark, de belangrijkste groenvoorziening van de wijk IJburg. De bio­diversiteit is er groter dan in welk ander stadspark en er is een strandje waar volkomen veilig kan worden gezwommen. Dit is mogelijk doordat over het gifgebied als het ware een beschermende doos is gezet. De stort is afgedekt met speciale lagen zand en klei, eromheen zijn damwanden tot wel 26 meter diep de grond ingeslagen.

103 putdeksels

Hoge bomen staan er niet in het Diemerpark, want hun wortels zouden de beschermlaag aantasten. Maar het gebied is inmiddels wel dusdanig begroeid dat het even zoeken kan zijn naar het kunstwerk De ontmoeting van Maria Barnas. Zij bracht teksten aan op de 103 gietijzeren putdeksels in het park, die noodzakelijk zijn voor de controle van het gebied. Tezamen vormen deze teksten een gedicht.

Maria Barnas (1973), beeldend kunstenaar en schrijver, maakte het kunstwerk kort na haar afstuderen aan de Rietveld Academie. “Na het sluiten van de stortplaats was de natuur zijn gang gegaan en was er zo’n bijzonder gebied ontstaan dat er ook weer mensen waren die het betreurden dat er een park kwam. De omgeving was eng, vanwege al dat gif, maar tegelijk ook paradijselijk. Ik vond het heel inspirerend ermee aan de slag te gaan.”

Onder- en bovenwereld

Barnas bedacht voor de putdeksels geheimzinnig overkomende teksten als ‘tijd is een blauwe vis die boven het water sprong ik laat je gaan’ en ‘een toekomst gevouwen als een brief’. “Die putdeksels vormen een ontmoeting tussen de onder- en de bovenwereld. Mijn kunstwerk gaat over een andere ontmoeting. De teksten zijn de gedachten van een man en een vrouw die hebben afgesproken in het park, maar elkaar niet kunnen vinden.”

De teksten hoeven niet in een bepaalde volgorde te worden gelezen. “Je kunt beginnen waar je wilt. De 103 deksels liggen ook niet in een bepaald grid. Wat ik leuk vind is dat ze in officiële documenten ook niet zijn genummerd, maar elk de naam van een van mijn teksten dragen. Een gemeentewerker zou voor werkzaamheden dus niet op zoek moeten naar bijvoorbeeld put 54, maar naar put ‘morgen waarin alles rood is of een woord’.

13 juli: Van een drol is geen sprake, dit blijken twee mannen te zijn

De Worstelaars (1959) in het Flevopark. Beeld Nina Schollaardt
De Worstelaars (1959) in het Flevopark.Beeld Nina Schollaardt

De Worstelaars

Sinds 1960
Kunstenaar Hans IJdo
Waar Flevopark

Dé blikvanger van het Flevopark is dat grote beeld van Piet Parra aan de rand van een weide in de zuidoosthoek. Anxiety Bunny heet het, al schijnt het in de volksmond Angsthaas te worden genoemd. (Hoe een konijn in een haas veranderde, daar is geen goochelaar aan te pas gekomen.) Het polyester beeld, een gift van stichting Appelsap, staat er sinds 2018.

Al veel en veel langer is in datzelfde park een ander beeld te zien. Het staat wat onder bomen verscholen en je fietst of loopt er zo aan voorbij. Misschien omdat het er al zo lang staat dat het je niet meer opvalt.

Grote drol?

Het is een plastiek, ontworpen door Hans IJdo. Vanuit de verte lijkt het op een klont, of op een, ik zeg het wat oneerbiedig, grote drol op een sokkel.

Dichterbij gekomen is van een drol geen ­sprake, maar blijken het twee mannen te zijn. Twee mannen in brons, die met elkaar aan het stoeien zijn. Of die met een acrobatische act bezig zijn. Toch blijkt ook dat niet het geval te zijn; ze zijn in gevecht. De Worstelaars, is de titel van het beeld.

De een hangt boven de ander, de ander weert af door de handen van de een stevig vast te houden. Al meer dan vijftig jaar houden ze elkaar in evenwicht en wordt niet duidelijk wie ­uiteindelijk zal winnen. Een eeuwige remise.

‘Alsof je ze kunt horen ademen’

In 1960 werd het beeld, een vrije opdracht van de gemeente Amsterdam, in het Flevopark geplaatst. ‘In opperste concentratie worstelen deze twee mannen met elkaar. Door zijn expressieve stijl heeft beeldhouwer Hans IJdo beweging in de sculptuur aangebracht. Alsof je de worstelaars bijna kunt horen ademen’, lees ik op het bordje.

Het beeld is volgens sommigen ook een metafoor. Een metafoor voor de worsteling die het leven is. (De groene aanslag op de ledematen staat dan voor de ballast die we gedurende het leven met ons meetorsen?)

Ook weer zoiets. Waarom kan dit beeld van twee worstelaars niet gewoon een beeld van twee worstelaars zijn? Maar nu zijn we op het glibberige pad van de interpretatie beland.

Goed. De Amsterdamse kunstenaar Hans IJdo (1928-1987) werkte in eerste instantie figuratief. Met het beeld De oogst, van een vrouw die met een sikkel koren maait, wint hij in 1953 de Prix de Rome. Later ging hij abstract werken. Op het Buikslotermeerplein staat Staalplastiek, een in 1971 geplaatst beeld van twee stalen, gedraaide kolommen.

Een groter contrast met de twee met elkaar worstelende mannen is bijna niet mogelijk.

12 juli: Beeldenroute Brettensuite: beelden als een rij kralen aan een ketting

Monumentaal werk van Herbert Nouwens langs het Brettenpad. Beeld Nina Schollaardt
Monumentaal werk van Herbert Nouwens langs het Brettenpad.Beeld Nina Schollaardt

Sinds 2014
Kunstenaar Herbert Nouwens
Waar Westerpark/Sloterdijk/De Bretten

Dat je tijdens een winterse coronawandeling in nog onverkend gebied ineens langs vier poten omhoog kijkt naar… een halve onderzeeër? Ruimteschip? Gigantische steen? Reu­zen­insect? Het was een verwonderende kennismaking met een van de twintig sculpturen van roestkleurige cortenstaal die het Brettenpad markeren – een elf kilometer lange fiets- en wandelroute tussen het Westerpark en Halfweg.

Robuuste constructies van gestapelde blokken staal, al dan niet in combinatie met als ­dolmen aandoende stenen, dooreengevlochten halve cirkels die naar de hemel wijzen, sierlijk bungelende slierten, sprieterige vierkanten, gevouwen flappen van staal. Je kunt de borden bij de beelden lezen, of je fantasie de vrije loop laten als je de groenwitte stippen volgt die de route markeren, langs volkstuinpark Nut en Genoegen, via de kantoren en station Sloterdijk naar en door natuurgebied de Lange Bretten.

Verbinding natuur en kantoren

Kunstenaar Herbert Nouwens (Oegstgeest, 1954) had in de jaren negentig zijn werkplaats op het Westergasfabriekterrein. Toen dat werd ­gesaneerd en het park werd aangelegd, moest hij daar weg. Om in 2014 terug te keren met zijn werk. “Omdat ik zestig jaar werd, een mooi moment om het werk van de afgelopen decennia eens bij elkaar te zien op mijn oude werkplek.”

Hij was benaderd door drie ambtenaren uit West die het Brettenpad ook op een culturele manier op de kaart wilden zetten. De Brettensuite, zoals de beeldenreeks heet, won in 2015 de West Art Stimuleringsprijs als verbinding tussen natuur- en kantorengebied. ‘Allure en ankerpunten,’ aldus de jury, ‘ook op de minder aanzienlijke plekken van de Brettenzone.’

Kralen aan een ketting

Nouwens: “Ik vind het belangrijk dat er een ­relatie is tussen een beeld en zijn omgeving. Ik heb welbewust plekken uitgekozen die als het ware vroegen om een markeringspunt langs het Brettenpad. De meeste beelden zijn afkomstig uit de tentoonstelling Angels’ Share en sommige zijn speciaal uit Slochteren, waar ik sinds 2004 woon en werk, naar Amsterdam gehaald: ik vond dat ze een zinnige toevoeging waren.”

Zie de beelden als een rij kralen aan een ketting, aldus de maker. “Geen losse elementen, maar beelden die samen een verhaal vertellen. Daarom heb ik het ook de Brettensuite ­genoemd. Een suite is een verzameling muziekstukken die zelfstandig kunnen klinken, maar die in samenhang met elkaar een muzikale reis mogelijk maken voor de luisteraar. Als dat ­gebeurt met mijn Brettensuite, dan ben ik blij.”