PlusNieuws

Het Joodse verzet tegen de Duitse bezetter kwam al snel op gang en was groter dat gedacht

Het Joods verzet was in de Tweede Wereldoorlog groter veelal wordt aangenomen en kwam heel snel op gang. Historicus Ben Braber wil met zijn onderzoek definitief een einde maken aan de mythe dat Joden zich als makke schapen lieten afvoeren. Wie waren deze Joodse verzetsmensen?

Hanneloes Pen
Jongens van een Joodse knokploeg met hun wapens, gefotografeerd na hun arrestatie. Ze werden verdacht van het plegen van een aanslag. Beeld NIOD
Jongens van een Joodse knokploeg met hun wapens, gefotografeerd na hun arrestatie. Ze werden verdacht van het plegen van een aanslag.Beeld NIOD

‘Kunnen jullie wat doen tegen die klerelijers?’ was op 10 mei 1940 de vraag aan het pasgetrouwde Amsterdamse Joodse echtpaar Nol Bueno de Mesquita, binnenhuisarchitect, en verpleegster Ter Kolthoff. Het stel nam daarop direct twee verzetsmensen in huis. Ze maakten brandbommen in hun woning en sloten zich aan bij het verzet.

Het is een van de vroegste voorbeelden van Joden die in het verzet terechtkwamen. Historicus Ben Braber schreef in 2015 een boek over het echtpaar: Waren mijn ogen een bron van tranen. Zeven jaar later ligt er een wetenschappelijk werk dat aantoont dat er aanzienlijk meer Joden in het verzet zaten. Naar schatting van de historicus gaat het om honderden tot duizenden Joden; sommigen opereerden alleen of in een kleinere groep, anderen zochten op een gegeven moment aansluiting bij grotere verzetsnetwerken.

Geen makke schapen

Het werk van Braber is een nieuwe ontkrachting van de fabel dat Joden zich in de oorlog als makke schapen lieten wegvoeren naar kampen in het oosten. “Deze mythe komt deels voort uit het vooroorlogse vooroordeel over het stereotype van de zwakke Jood,” zegt Braber, die als Honorary Research Fellow verbonden is aan de Universiteit van Glasgow.

“We wisten weinig van de achtergrond van Joodse verzetsmensen. In mijn onderzoek concentreerde ik me op individuen als Walter Süskind, beheerder van de Hollandsche Schouwburg, die zeshonderd Joodse kinderen hielp ontsnappen, en op groepen – een handvol mensen tot hooguit honderd man – die geheel of grotendeels uit Joden bestond.”

Als voorbeeld van Amsterdamse Joodse verzetsgroepen noemt hij de Westerweelgroep, die hielp bij de onderduik van uit Duitsland en Oostenrijk gevluchte Palestinapioniers (die uiteindelijk naar Palestina wilden emigreren), en de Oosteindegroep – aanvankelijk opgericht om Joodse vluchtelingen op te vangen – die persoonsbewijzen vervalste.

Sterke levensopvatting

Daarnaast waren er ‘gemengde’ verzetsgroepen, zoals CS6 (Corellistraat 6) van de broers Gideon en Jan Karel Boissevain, die met de Joodse hoogleraar economie Leo Frijda verzetswerkzaamheden uitvoerden. CS6 fabriceerde bijvoorbeeld bommen voor sabotage op treinstellen.

Braber onderzocht de achtergronden van de Joodse verzetslieden: hun levensopvattingen, persoonlijke omstandigheden, karaktereigenschappen, het moment waarop ze in het verzet gingen en wat hun keuze beïnvloedde.

“Deze mensen werden zelf direct geraakt door de anti-Joodse maatregelen en besloten zich daartegen te verzetten. Vaak waren het mensen met een sterke levensopvatting. Ze waren socialist, communist of zionist of sloten zich om humanitaire of religieuze redenen aan bij het verzet. Maar soms geraakten ze ook gewoon door toeval in het verzetswerk.”

Knokploeg op de boksschool

De Joodse verzetslieden kwamen grotendeels uit sociale middengroepen en in tegenstelling tot de armere Joden hadden ze in hun vooroorlogse leven al contacten met niet-Joden. “Onder hen waren studenten, kunstenaars, artiesten, fotografen, maar ook juristen, bakkersknechten en reclameschilders. Het ging dikwijls om jonge mensen die zelf ondergedoken zaten of van wie familieleden reeds waren weggevoerd,” zegt Braber.

Over de karaktereigenschappen zegt Braber: “Ze hadden een enorme energie, waren besluitvaardig, toonden actiebereidheid en waren zeer opofferingsgezind. Ze waren bereid de hoogste prijs te betalen.”

Braber constateert dat het Joodse verzet aanzienlijk eerder op gang kwam dan het niet-Joodse verzet. “Het niet-Joodse verzet kwam pas echt tot ontwikkeling in de loop van 1943,” zegt Braber. Hij deelt de periodes van het Joodse verzet in grofweg vier categorieën in.

Het Joodse echtpaar Bueno de Mesquita en Ter Kolthoff, dat om humanitaire redenen direct in actie kwam, is een voorbeeld uit de eerste periode, kort na de bezetting.

In de tweede periode, vanaf het najaar 1940 tot en met de winter 1941 begonnen Joodse boksers van de Amsterdamse boksschool Olympia van trainer Joop Cosman een knokploeg te vormen om te vechten tegen de Duitsers. “Het waren Joden die zich niet op de huid wilden laten zitten en terugsloegen. Joodse hoogleraren vochten hun ontslag aan.”

Wapens ingezet

Vanaf de derde periode in de winter 1941 begon het verzet met aanslagen en nam het wapens ter hand. Verzetsgroep CS6 pleegde geweld op installaties. “Het werd serieuzer en heftiger.”

Vanaf de deportaties in juli 1942, stelt Braber, veranderde het karakter en de omvang van het Joodse verzet. “De omvang van het verzetswerk nam toe. Er moesten schuilplaatsen worden gevonden, valse papieren worden gemaakt, bonnen en voedsel worden verstrekt. Koeriersters brachten illegale kranten rond.”

De machteloosheid, wanhoop en boosheid nam in die periode toe, omdat Joden massaal werden gedeporteerd. “Het verzet richtte zich op wraak. Zo begon CS6 zich te richten op het neerschieten van verraders.”

Over de reden dat het niet-Joodse verzet pas in de loop van 1943 tot ontwikkeling kwam, zegt Braber: “In mei 1943 werd de Arbeitseinsatz ingevoerd door de bezetter. De voedselrantsoenering begon in deze vierde periode en er werden en masse gijzelaars neergeschoten. Het niet-Joodse verzet kwam pas in de loop van 1943 tot ontwikkeling, toen al die maatregelen ook hen begonnen te raken. Dat was te laat voor de Joden die al op grote schaal waren afgevoerd.”

Om hoeveel Joodse verzetslieden het precies ging, is volgens Braber niet te zeggen. “Ze voerden een strijd op leven en dood en verzetten zich met hand en tand. Dit verzet heeft ertoe bijgedragen dat zo’n 13.000 Joden zijn gered, onder wie veel kinderen. Het doel van de nazi’s om alle Joden te vernietigen is mede dankzij hen niet bereikt.”

Het illegale Parool

Frans Goedhart begon op 25 juli 1940 met de Nieuwsbrief van Pieter ’t Hoen, voorloper van het illegale Parool. Begin 1941 richtte hij met anderen Het Parool op. Verschillende redactieleden waren sociaaldemocraten.

De zeskoppige redactie bestond naast Goedhart uit Koos Vorrink, voormalig voorzitter van de SDAP, journalist Lex Althoff van Het Volk, Hans Warendorf, advocaat en uitgever, Maurits Kann, voormalig redacteur van De Groene Amsterdammer, en ANP-journalist Jaap Nunes Vaz, lid van de Onafhankelijke Socialistische Partij. De laatste drie waren Joods.

Kann bedacht de titel Het Parool, Goedhart de ‘wapenspreuk’ Vrij, Onverveerd, een strofe uit het Wilhelmus. Het eerste nummer verscheen op 10 februari 1941.

Later sloten meer redacteuren met een Joodse achtergrond zich aan bij het verzet, onder wie Wim van Norden, van 1945 tot en met 1979 directeur van de krant, Max Nord en Sieg Vaz Dias.

Ben Braber Beeld Sophie Saddington
Ben BraberBeeld Sophie Saddington
null Beeld

Het wetenschappelijke werk Individuals and small groups in Jewish resistance to the Holocaust’van Ben Braber is verkrijgbaar bij Anthem Press in Londen. Prijs: 80 Britse pond.

Meer over