PlusExclusief

Essayist Yesim Candan: ‘In Rotterdam horen zwarte wijken wél bij de stad’

Columnist en essayist Yesim Candan komt uit het getto in Rotterdam, maar woont nu in Amsterdam-Zuid. ‘Als ik hier rondloop, zeg ik altijd: I see dead people. Hoe rijker die mensen zijn, hoe chagrijniger.’

Robert Vuijsje
Yesim Candan: ‘Ik weet wat een achterstandswijk is, of armoede. Zonder ontbijt naar school gaan: dat deed ik iedere dag.’ Beeld Erik Smits
Yesim Candan: ‘Ik weet wat een achterstandswijk is, of armoede. Zonder ontbijt naar school gaan: dat deed ik iedere dag.’Beeld Erik Smits

Yesim Candan, opgegroeid in Rotterdam, maar al twintig jaar wonend in Amsterdam, moet één ding toegeven: “De concurrentie tussen die twee steden bestaat uit een eenzijdige relatie. In Rotterdam groei je op met een afkeer tegen Amsterdam, die haat is overal, dat hoorde ik al toen ik jong was.”

“Maar in Amsterdam hoor ik nooit iemand over Rotterdam. Alleen wat grapjes als Feyenoord heeft verloren, omdat ze weten dat het mijn club is. Het is als een scheiding waarbij de ene partner verder gaat met zijn leven – en de andere partner is er jaren later nog steeds mee bezig. Amsterdam heeft ook echt een eigen identiteit. Héél eigenzinnig, het is bijna niet te beschrijven.”

Candan is columnist voor RTL Nieuws en schrijft essays voor het FD. “Ik ben een bemoeial van het publieke debat.” Gevolgd door een opsomming: “Racismebestrijder, dat ben ik ook. En een feminist. Een feminist van kleur, bicultureel. Vóór homorechten, ook echt belangrijk. Amsterdam is de stad van de gays. Columnist worden was mijn droom.”

Hoe werd dat je droom?

“Als kind ging ik in m’n eentje met de metro naar de bibliotheek. Ik wilde iets doen met boeken en schrijven. Iets betekenen voor de wereld, nuttig zijn. Zorgen dat mijn opa niet voor niets al die offers had gemaakt.”

“Ik ben opgevoed door mijn opa, die in 1968 van Turkije naar Rotterdam kwam. Hij is de grootste bokito die ik ken. Auto’s en voetbal, dat was mijn jeugd. Zo ben ik one of the guys geworden, ik voel me fijner tussen mannen dan bij vrouwen.”

“Mijn vader was vrachtwagenchauffeur, mijn moeder werkte bij Silvo, de kruidenfabriek. Ze gingen heel vroeg de deur uit, voor 7 uur al. Mijn opa en oma woonden onder ons, daar zat ik altijd. De Vliegerstraat in Rotterdam-West, in de hele straat woonden twee witte Nederlandse gezinnen. Op school in Delfshaven: ook helemaal zwart.

“In Amsterdam heb je niet zulke buurten. Zuidoost of Nieuw-West, het wordt weggestopt aan de randen van de stad. Het signaal voor de mensen die daar wonen is: jij mag niet in het historische deel komen, in het centrum. Dat is bedoeld voor toeristen en expats en corpsmeisjes van wie de ouders een huis voor ze hebben gekocht. In Rotterdam horen zwarte wijken bij de stad. De Kruiskade ligt gewoon in het centrum.”

“Mijn dochter zit op het Vossius. Helemaal niet gemengd, zo jammer. Het Erasmiaans Gymnasium in Rotterdam: totaal divers. Amsterdam moet niet blijven beweren dat ze zo trots zijn op alle nationaliteiten. Wanneer scholen als het Vossius en het Barlaeus geen kleur hebben, dan doe je als stad iets niet goed. Echt niet oké.”

“Met mijn kinderen, die opgroeien in Amsterdam-Zuid, ben ik laatst op de Kruiskade geweest. Ze keken om zich heen: ooh, allemaal drillrappers. Hier ben ik opgegroeid, zei ik. Ik woon nu wel in Amsterdam-Zuid, maar in mijn hoofd ben ik een meisje uit het getto. In je jeugd leg je de basis. Voor mij was dat: overleven, met heel veel armoede om je heen.”

Dan volgt, vanaf het terras van het College Hotel, wijzend in de richting van het Museumplein, een analyse van Amsterdam-Zuid: “Als ik daar rondloop, zeg ik altijd: I see dead people. Hoe rijker die mensen zijn, hoe chagrijniger. Zo bizar, niemand lacht, terwijl ze zoveel geld hebben. Waar ik opgroeide had je grote problemen, maar er werd gelachen. Op straat stond altijd wel een rare man grappige verhalen te vertellen.”

“In Zuid probeer ik random mensen te groeten op straat: goedendag. Maar denk je dat ze iets terugzeggen? Als je in Rotterdam ergens zit, heb je altijd contact met de tafel naast je – ook in Hillegersberg, Kralingen of op de Meent. Het dna is: je moet het met elkaar doen. Ik denk dat het door de bombardementen komt, de stad moest samen weer worden opgebouwd.”

“Amsterdam is veel zakelijker en afstandelijker. Gereserveerder. Echt een Berlijnse Muur waar je doorheen moet. En ik doe echt mijn best, hè. Ik ben spontaan, maak met iedereen contact. Als ik in de Jordaan twee dames buiten zie zitten met een glas wijn, zeg ik: goh, wat leuk, wat zitten jullie hier lekker. Een halve glimlach krijg ik terug. En dat waren echt geen expats.”

Nog een voorbeeld: “Coffee District, op de Willemsparkweg, vlak bij mij. Zo’n leuk tentje, met lekkere koffie. Op straat hadden ze bankjes gezet, tegen de muur van de winkel aan. Daar kon je in de zon een kopje koffie drinken. Maar die bankjes moeten ineens weg, iemand heeft geklaagd. Als ik diegene vind, neem ik hem mee naar de Kruiskade. Het liefst zou ik met een Turkenbusje, met van die gordijntjes, door de buurt rijden. En dan keihard toeteren.”

Waarom woon je hier eigenlijk?

“Als kind heb ik gezworen: later, als ik zelf kinderen heb, laat ik ze niet opgroeien in zo’n buurt als waar ik nu woon. Het was rauw en onveilig, constant gevaar. Dat ik nog leef is een wonder. Olivia, mijn beste vriendinnetje, werd doodgereden – de eerste begrafenis uit mijn leven. We staken altijd samen de straat over, tot ik er één keer niet bij was. Je werd aan je lot overgelaten. Als kind werd je door junks bedreigd met messen, iedere avond zag je pooiers die hun hoeren in elkaar sloegen.”

“Nu kan ik overal over schrijven. Ik weet wat een achterstandswijk is, of armoede. Zonder ontbijt naar school gaan: dat deed ik iedere dag. Voor mij is Zuid veiligheid. Ik kan ’s avonds rustig in m’n eentje op de fiets naar huis. Heel fijn als je zo onveilig bent opgegroeid. Ik heb er geen hulp bij gehad om hier te komen, maar ik heb het wel gedaan.”

Hoe kwam je in Amsterdam terecht?

“Na Nyenrode ging iedereen naar Amsterdam. Eerst deed ik internationale economie, een hbo-studie. Iedereen gaat nu denken dat ik gek ben, maar ik heb voorspellende dromen. Ik moest in de bibliotheek van Nyenrode zijn en liep daar over het middenpad, naar het kasteel toe. Ineens zag ik het: ik hoor hier, in mijn dromen heb ik het gezien, dit pad waar ik nu loop.”

“Meteen uitzoeken: Nyenrode, hoe kom ik daar? Ik weet nog dat ik mijn ouders de brochure liet zien, hun ogen werden zo groot. De familie wilde over me kunnen opscheppen. Je moet studeren, dat hoorde ik mijn hele jeugd. Ik sloot een lening af, mijn ouders hebben me financieel geholpen. En toen kon mijn vader tegen iedereen zeggen dat zijn dochter op een kasteel studeerde.”

“Na Nyenrode deed ik met twee vriendinnetjes een oproep in de Via Via, die krant waar je toen advertenties in kon zetten: drie jonge vrouwen zoeken woning. Ik dacht: nu gaat mijn leven echt beginnen, ik ga in Amsterdam wonen, in de wereldstad. De vader van mijn ex-man reageerde, alleen wist ik nog niet dat hij mijn man zou worden.”

Wat was er dan?

“We woonden vier maanden in een pand op de Keizersgracht. Een heel pand, ja. Mag het, nadat ik tussen de hoeren en de pooiers ben opgegroeid? Voor even was ik een grachtengordelmeisje. Om te wonen vond ik het niet zo. Iedere ochtend ging je naar buiten en lag er een junk voor je deur.”

“Maar ik ontmoette mijn ex-man dus in de Vondelkerk, op een oud-en-nieuwfeest. Hij vertelde over zichzelf, ook zijn achternaam en ik dacht: ooh, nu weet ik het, ik heb vier maanden iedere ochtend zitten ontbijten onder een schilderij waar jij op stond. Het was meant to be, zou je denken. Maar we hebben net getekend voor de scheiding.”

Nog een laatste verschil tussen de twee grootste steden van Nederland: “In Rotterdam zijn veel meer Turkse bedrijven. Kappers, restaurants, beautyklinieken. En gewoon in de stad, niet weggestopt aan de rand. Op het gebied van beauty zijn ze daar ook een stap verder. Ik ga in Rotterdam naar de kapper, terwijl ik in Amsterdam woon.”

“In die Turkse restaurants in Rotterdam komt iedereen. Een vrouw met een hoofddoek, witte Nederlanders, zwarte mensen, Marokkanen. In Amsterdam is alles ingedeeld in clusters: vandaag heb ik hier zin in, dan ga ik daarheen. Voor een Turks ontbijt ga ik naar Plein ’40-’45. En ’s avonds kom ik daar voor shisha. Wel jammer dat er geen alcohol wordt geserveerd.”

CV
Yesim Candan (Rotterdam, 1975) is columnist voor RTL Nieuws en schrijft essays voor het FD. Ook is ze onderzoeker diversiteit aan de Hogeschool van Amsterdam. Als radiomaker is ze verbonden aan BNR.

De stad van... Yesim Candan

Echt Amsterdams
“Met vrienden borrelen en eten. Al mijn vrienden zijn nu Amsterdammers.”

Accent
“Geen Turks accent, niet allochtoon. Wel een licht Rotterdams accent, daar word ik hier mee gepest.”

Partner
“Mijn ex-man is een Amsterdammer.”

Huur of koop
“Huur, omdat ik niet kan kopen. Dat is voor expats of mensen met oud geld. Of nouveau riche.”

Import
“Dat kunnen Amsterdammers worden. Als je hier woont, word je er gewoon vanzelf een.”

Serie

Amsterdammers klagen graag over de snel veranderende stad, maar willen hier toch blijven wonen. Hoe werkt dat, vraagt schrijver Robert Vuijsje (Alleen maar nette mensen, Salomons oordeel) zich af in een wekelijkse interviewserie met bekende en minder bekende Amsterdammers. Dit is aflevering 21. Lees hier alle afleveringen terug.

Amsterdam in boeken

Zondag 29 mei is Robert Vuijsje te gast in cultureel literair centrum Pinto in de serie Amsterdam in boeken. Aanvang 15.00 uur.

Meer over