PlusBuurtgenoten

Een schuwe klimmer van formaatje kat: de boommarter wint terrein in de stad

De klassieke opvatting was dat de boommarter zich alleen maar ophoudt in bosrijk gebied en op eekhoorns jaagt. Dat klopt niet, weten we inmiddels.  Beeld Tzenko
De klassieke opvatting was dat de boommarter zich alleen maar ophoudt in bosrijk gebied en op eekhoorns jaagt. Dat klopt niet, weten we inmiddels.Beeld Tzenko

De natuur in de stad verandert. Nieuwe dieren en planten komen hierheen en oude bekenden krijgen een nieuwe plek. Vandaag: de boommarter moet oppassen met oversteken.

Met Martin Melchers was Geert Timmermans begin juni 1987 op weg naar de tennisclub, toen de twee beginnende ecologen iets op de weg zagen liggen. Echt opvallend was het nog niet, bovendien hadden ze plannen om een balletje te slaan, dus reden ze door. Maar op de terugweg lag het er nog en toen won de nieuwsgierigheid het. Ze zetten de auto aan de kant en van dichtbij zagen ze meteen: dit is een dode marter. Het leek zelfs wel een boommarter. Op de Transformatorweg in West, ín de stad. “Dat moest wel bijzonder zijn.”

Ze zochten bevestiging bij het toenmalige Zoölogisch Museum Amsterdam. “Kom maar langs, zeiden ze daar. Het zal wel een bunzing zijn.” De allereerste boommarter die in Amsterdam werd waargenomen, belandde zo in de collectie als steenmarter ‘met atypische kies’. Het kon simpelweg geen boommarter zijn, dachten experts. Er waren er niet veel meer van, onder meer door bejaging, en, de namen zeggen het al, in tegenstelling tot de steenmarter zou de boommarter niet in stedelijk gebied leven.

Andere deskundigen bogen zich erover en verrek, het was er toch echt een. De jaren daarna volgden steeds meer meldingen van dode dieren. “Never nooit levende,” zegt Timmermans, inmiddels stadsecoloog. En voornamelijk jonge mannetjes, vermoedelijk vanuit het Gooi deze kant opgekomen. Het nachtdier, een uitstekende klimmer van formaatje slanke kat met iets kortere poten en gele bef, gaat namelijk, net uit het ouderlijk nest gegooid, op zoek naar een geschikt leefgebied voor zichzelf, waarin hij kan jagen en zich voortplanten.

Maar het leven in en rond de stad bleek voor de jonge boommarters niet zonder risico’s. Tijdens zo’n ontdekkingstocht is een gevaarlijke oversteek onvermijdelijk. “Dat geeft veel verkeersslachtoffers.” Zo haalde er ooit een het Vondelpark, maar die sneuvelde op de Overtoom in 2012. Meer verkeersslachtoffers werden aangetroffen op de Weteringschans (2004), bij de Zeeburgertunnel (2005) en langs de A10, vlakbij de Rai (2014).

Dat lijkt een slecht teken, zegt Timmermans, toch is dat niet helemaal het geval. “Als je dooie beesten ziet, weet je eigenlijk dat het goed gaat. Het is een signaal dat er behoorlijke aantallen aan het ontwikkelen zijn.”

Ecopassage

Aangenomen werd dat de beesten Amsterdam aandeden op weg naar groen elders, dus besloot de stad een handje te helpen om meer verkeersslachtoffers te voorkomen. “Zeker in een tijd waarin het slecht gaat met de biodiversiteit, moet je als stad nadenken: wat kunnen we doen?”

Voelde je dat hobbeltje? Vraagt de ecoloog in de auto, vlak na een bocht waar de Kruislaan overgaat in de Rozenburglaan in de Watergraafsmeer. Hij wijst op de weg. Ooit was die een beruchte oversteekplaats voor dieren met aan de ene kant het groen van begraafplaats de Nieuwe Ooster en aan de andere kant sportvelden. Een plek waar met enige regelmaat aangereden beesten werden gevonden. Op de plek van het hobbeltje zit tegenwoordig een tunnel van 40 bij 40 centimeter, een ecopassage, waar dieren zoals de boommarter veilig naar de overkant kunnen. Je vindt dit soort veilige doorgangen op meer plekken in de stad, maar ook door groenverbindingen, zoals de Diemerscheg van het Gooi naar Amsterdam-Oost, kunnen dieren zich veiliger verplaatsen.

Maar die natuuringrepen hielpen de marters niet alleen op weg, ze zorgden er ook voor dat de stad meer dan alleen een doorsteekroute voor ze werd. Dat bleek uit foto’s van wildcamera’s onder meer in natuurgebied de Diemer Vijfhoek. Te zien waren boommarters, en nu eens niet aangereden, maar levend. Eerst mannetjes, maar in 2017 ook jonkies. Het eerste bewijs dat de boommarter zich in Amsterdam voortplant. “En zodra er jongen zijn, komt de ontwikkeling in een stroomversnelling.”

De stad wordt nu als biotoop gezien, zegt de ecoloog. “Het is leuk als zo’n dier denkt ‘ik blijf hier’.” En het kan ook. “We hebben hier mensen, honden en drukke wegen, maar ook voldoende voedsel waarop gejaagd kan worden en plekken om te schuilen. De klassieke opvatting was dat de boommarter zich alleen maar ophoudt in bosrijk gebied en op eekhoorns jaagt. Dat klopt niet, weten we inmiddels.”

Het kost tijd, maar anno 2021 durft Timmermans wel te zeggen dat de boommarter in deze stad een blijvertje is. “We zagen ze in het Amsterdamse Bos, het Geuzenbos, de Bretten en je kunt er nu een tegenkomen in het Flevopark, bij de joodse begraafplaats. Bijzonder, want het is best wel een stedelijk park, maar ze jagen er op ratten, grijpen eens een merel of plunderen een vogelnest.” Op de Dam zul je ze niet snel vinden, maar hij sluit hij niet uit dat ze richting het Vondel- of Westerpark gaan. “Misschien zitten ze er zelfs al, maar weten we het nog niet.”

Gestommel en gepiep

Wie bang is voor doorgeknaagde autokabels, heeft van de boommarter niet te vrezen. Dit in tegenstelling tot zijn bijtgrage neef de steenmarter, die wel een beruchte sloper is en ook steeds vaker in Amsterdam te vinden is. Zijn opmars werd volgens Timmermans al eerder verwacht, omdat de steenmarter, die erg lijkt op de boommarter, graag verkeert in bebouwde gebieden. “Daarnaast heeft hij de neiging om te schuilen in vrachtauto’s en onder motorkappen en vervolgens mee te reizen.”

Toch duurde het tot 2011 voordat de eerste, ook weer dode, steenmarter werd gevonden op de Johan Huizingalaan in Nieuw-West. Maar in 2017 viel plotseling een jong uit het plafond van een paardenmanege bij het Schinkelbos, het eerste bewijs dat ook de steenmarter zich hier ophoudt en voortplant.

Echt opgerukt naar de binnenstad is hij vermoedelijk nog niet, gezien het uitblijven van klachten. “Deze marter is meer een lastpak.” Hij leeft in schuurtjes en op zolders, je hoort het gestommel en gepiep, ze knagen aan kabels en hij neemt zijn prooi mee naar binnen, ‘waardoor het een meurende bende wordt’. Maar wat niet is, kan in dit geval volgens Timmermans zeker nog komen.

Martes martes

- De geldige, wetenschappelijke naam van de boommarter is: Martes martes, die van de steenmarter is Martes foina.

- Het lichaam van een marterachtige is ongeveer een halve meter groot. Daar komt een staart van bijna 30 centimeter bij. Boom- en steenmarters zijn in het veld lastig van elkaar te onderscheiden. Het onderhaar op de zijkanten van de boommarter is grijs, dat van de steenmarter wit.

- Marters zijn roofdieren, ze eten vooral vogels, muizen, insecten en eieren, maar ook fruit.

- In Nederland wordt de populatie boommarters geschat op zo’n 500 tot 1000 dieren.

- De eerste boommarter in Amsterdam werd waargenomen in 1987 op de Transformatorweg, de eerste steenmarter pas in 2011 op de Johan Huizingalaan.

- De boom- en steenmarter zijn in Nederland wettelijk beschermd. Dat betekent dat deze dieren niet mogen worden gedood, gevangen, of verjaagd.

Meer over