PlusExclusief

Een dag op de spoedeisende hulp van het OLVG: ‘Ze kunnen de schaar als wapen gebruiken’

Björn van Daelen bekijkt de status van de patiënten op de afdeling. Op de spoedeisende hulp van het OLVG West zijn het drukke tijden.  Beeld Dingena Mol
Björn van Daelen bekijkt de status van de patiënten op de afdeling. Op de spoedeisende hulp van het OLVG West zijn het drukke tijden.Beeld Dingena Mol

Door de pandemie heeft de thuiszorg het extra zwaar, is de huisartsenzorg overbelast, zit de GGZ vol, worden er minder poli’s gedraaid en komen mensen dan uiteindelijk toch op de spoedeisende hulp terecht: ‘Wij zijn het doucheputje van de zorg.’ Het Parool liep een dienst mee bij OLVG West.

Malika Sevil

De avonddienst van spoedeisendehulpverpleegkundige Björn van Daelen op de spoedeisende hulp is amper begonnen of hij beent naar de kamer met de CT-scan. De ambulance is onderweg met een man van begin tachtig die door de buren op de vloer van zijn woning is gevonden. Ze kwamen op zijn geroep af. Hij kan amper lopen. De grote vraag is nu: heeft hij een infarct gehad?

Code rood

In de kamer met de CT-scan staan een cardioloog, een radioloog en nog meer verpleegkundigen zwijgend te wachten tot de patiënt door de ambulance op een brancard wordt binnengebracht. Van Daelen kijkt om het hoekje: “Ze komen eraan.” De man in joggingbroek op de brancard oogt broos tussen de stevige, fluorescerende pakken van de ambulancemedewerkers. Onder een dekentje steken nog een paar goed gedragen sloffen. Als de man eenmaal klaarligt om onder de CT-scan te gaan, en hij met een dunne stem van de spanning zegt dat hij moeilijk stil kan liggen omdat hij rilt van de kou, buigt Van Daelen over hem heen, pakt hem bij de schouder en zegt: “Er komt ook wel veel over u heen, hè. U krijgt zo een warme deken van mij.”

Na het onderzoek mag de man onder een opgewarmde deken bijkomen in een van de 21 kamers van de spoedeisende hulp (seh) van OLVG West. Hij is niet de enige oudere op de afdeling op deze doordeweekse avond. Er ligt nog een verwarde man van diep in de tachtig die na een val is binnengebracht. Hij moet vanwege observatie van zijn hartritme voor 24 uur op de cardio-longafdeling worden opgenomen, maar dat gaat niet op locatie West, want die heeft sinds 16.30 uur deze middag code rood. Vrij vertaald: geen bed meer te vinden.

De man is voor de zekerheid maar alvast van een seh-bed overgeheveld naar een gewoon bed. “Want het kan wel even duren.” Later deze avond zullen er nog meer ouderen worden binnengebracht: een dame van in de zeventig die elke dag valt, een vrouw met een verdenking van een urineweginfectie en een patiënt met hevige pijnen door een vermoedelijke darmafknelling na een maagverkleining.

Ouderen

“Wij zien veel ouderen, ja.” De aandacht in de media gaat vooral naar de covidafdelingen en de ic’s, met al hun coronapatiënten. Natuurlijk hebben ze die op de spoedeisende hulp ook. Vanavond liggen er vijf. Maar bij de seh hebben ze er ook nog hartaanvallen, blessures, ongelukken, acute ziektes, beroertes en andere non-covidellende bovenop.

Omdat niet iedereen na een behandeling naar huis mag, moet er voor hen een plek worden gevonden: in een ziekenhuis of op een verpleegafdeling. En daar knelt het. Want alle instanties hebben een groot tekort aan personeel en moeten dus vaak ‘nee’ verkopen. Gevolg: mensen liggen langer op de seh. “Die is daar niet op gebouwd,” zegt manager spoedeisende hulp Paul Comanne. “Als een patiënt op de spoedeisende hulp moet overnachten, is dat vervelend voor de patiënt, want het ligt niet lekker, maar het verhindert ook de doorstroom.”

Volgens Comanne voel je op de spoedeisende hulp daarom ook zo goed hoe zwaarbelast de hele zorgketen is: de thuiszorg heeft het zwaar, de huisartsenzorg is overbelast, net als de ambulancezorg, de GGZ zit vol, er worden minder poli’s gedraaid en uiteindelijk komen mensen toch op de spoedeisende hulp terecht: “Wij zijn, een beetje oneerbiedig gezegd, het doucheputje van de zorg.”

Rondje bellen

Rond 18.30 uur belt de dienstdoende arts een rondje ziekenhuizen op zoek naar plek. Amsterdam UMC zit vol, het BovenIJ Ziekenhuis dito, maar het Zaans Medisch Centrum heeft nog ruimte, onder meer om de broze meneer met het mogelijke infarct op te vangen. “Gelukkig,” zegt Van Daelen zichtbaar opgelucht. “Dat valt me mee.”

Als Van Daelen in tien minuten zijn avondeten heeft verorberd, komen er in rap tempo patiënten bij: een baby met koorts, een hoogzwangere met veel pijn en een vrouw met een manisch-depressieve stoornis, die de ambulancemedewerker heeft geslagen. Ze probeerde hem ook te bijten.

Van mensen met psychiatrische klachten moet je daarop voorbereid zijn, zegt de verpleegkundige. Bij drugsgebruikers ook. Dat is ook niet goed te praten, maar dat is volgens hem toch minder erg dan de categorie die hij nu steeds vaker treft: “Mensen die bij hun volle verstand toch heel agressief zorg eisen.” Hij heeft ontelbare voorbeelden. Laatst zette een patiënt met een kleine kwaal de hele afdeling op zijn kop omdat het hem allemaal niet naar de zin was. Van Daelen stond op dat moment samen met een andere verpleegkundige bij een patiënt die enorm veel bloed had verloren, en donorbloed kreeg toegediend. Dat is een levensreddende actie. “Maar die man in de kamer naast ons gedroeg zich zo agressief dat mijn collega ernaartoe is gerend om de veiligheid van een collega te borgen. En zo bleef ik achter bij die patiënt. Ik heb de deur maar even dichtgetrokken en me verontschuldigd voor het lawaai. Achter de deur klonk geschreeuw, en uiteindelijk het geruststellende geluid van agenten op de afdeling. Met acht man sterk hebben ze de patiënt opgehaald.”

Een patiënt krijgt een CT-scan. Links Björn van Daelen.  Beeld Dingena Mol
Een patiënt krijgt een CT-scan. Links Björn van Daelen.Beeld Dingena Mol

Bedreigingen

Wie over agressie begint op de afdeling, raakt een gevoelige snaar. Medewerkers vertellen over spullen die tegen de ramen aan worden gegooid, bedreigingen in de trant van ‘ik wacht je op’ en zelfs zulke ernstige situaties dat soms, in een heel enkel geval, een escorte door de beveiliging naar de auto nodig is. Het is in schril contrast met het applaus voor de zorg in het begin van de pandemie. “Toen heerste heel erg het gevoel: we doen het met zijn allen – dus ook mét de patiënten, maar nu is iedereen coronamoe. Het geduld is op en het begrip is weg.”

De spanningen en agressie tegen zorgpersoneel nemen toe, zegt deze week ook beroepsorganisatie voor verpleegkundigen Nu’91. Wat meespeelt, is de aanscherping van de regels in het ziekenhuis, zoals beperking van bezoek. Ook in OLVG is twee weken geleden de bewaking opgeschroefd. Op verschillende afdelingen lopen nu bewakers rond, ook op de spoedeisende hulp. Dat de spanning hoog is, wordt ook op deze avond gevoeld als een patiënt per ongeluk op een alarmeringsknop drukt en uit alle kamers medewerkers rennen. Als een verpleegkundige net iets harder dan normaal de naam van een collega roept, kijkt iedereen op. En als Van Daelen zijn schaar pakt, haalt hij hem uit zijn broekzak. “Want als ik hem in mijn borstzak draag, kunnen ze hem zo pakken en als wapen gebruiken. Dat is me weleens gebeurd.”

Ademnood

Van Daelen gaat van patiënt naar patiënt, maar een ding valt hem vanavond wel op: “Ik heb nog helemaal geen coronadiscussie gehad.” Eigenlijk is dat elke dienst vaste prik. Ongevaccineerden die, in ademnood en met embolieën, toch de bevestiging zoeken dat ze er goed aan hebben gedaan dat ze geen vaccin hebben genomen. “Dan denk ik: nou, je ligt toch met ademhalingsproblemen in het ziekenhuis. Dat is niet niks.”

Om de privacy van patiënten te beschermen zijn enkele persoonsgegevens aangepast.

Meer over