PlusAchtergrond

De voormalige soa-poli op de Groenburgwal was ooit een fameus laboratorium

Het voormalige laboratorium van Nobelprijswinaar Jacobus van 't Hoff op Groenburgwal 44. Beeld Stadsarchief Amsterdam
Het voormalige laboratorium van Nobelprijswinaar Jacobus van 't Hoff op Groenburgwal 44.Beeld Stadsarchief Amsterdam

De allereerste Nobelprijs voor de Scheikunde ging in 1901 naar de Amsterdamse hoogleraar Jacobus Henricus van ’t Hoff. Deze week, 120 jaar later, is zijn voormalige laboratorium aan de Groenburgwal officieel benoemd tot Nationaal Chemisch Erfgoed.

Peter de Brock

‘Langsgaan op de Groenburgwal’ was jarenlang de codenaam voor netelige medische bezoekjes aan de daar op nummer 44 gevestigde soa-kliniek. De GGD-test op seksueel overdraagbare aandoeningen, kortom geslachtsziekten, was er gratis en anoniem. Een aantrekkelijke combinatie, die zelfs mensen trok van buiten Amsterdam. De wachtrij voor de deur was standaard, bij gebrek aan een wachtruimte binnen.

Het verhaal wil dat ook Japanse toeristen aansloten, die dachten dat de voormalige 17de-eeuwse zijdehal een museum was. “We moesten constant mensen wegsturen omdat we vol zaten,” herinnerde sociaal-verpleegkundige Hugo Koops zich in Ons Amsterdam in 2006 bij de verhuizing van de soa-polikliniek naar het Weesperplein.

Eerder deze maand werd hier aan de Groenburgwal 44, in het huidige café en lunchroom van designcollectief Droog, nog het Gouden Kookboek uitgereikt voor het beste kookboek van het jaar. En vorige week woensdag stroomde de horecaruimte vol met een ander feestelijk gezelschap, ditmaal bestaande uit de leden en genodigden van de Koninklijke Nederlandse Chemische Vereniging (KNCV). Tijdens die bijeenkomst werd een plaquette onthuld, waarmee het pand officieel de status kreeg van Nationaal Chemisch Erfgoed (NCE). Een eer die eerder te beurt viel aan de ovale zaal van Teylers Museum, het Grote Kantoor van chemieconcern DSM in Delft en het chemisch laboratorium van bastion Sonnenborgh in Utrecht.

Jacobus Henricus van 't Hoff. Beeld
Jacobus Henricus van 't Hoff.

De erkenning tot Nationaal Chemisch Erfgoed is een eerbetoon aan chemicus Jacobus Henricus van ’t Hoff (1852-1911) die hier tussen 1878 en 1891 werkte in het chemisch laboratorium van de Universiteit van Amsterdam. Voor zijn baanbrekende onderzoek op het gebied van chemische dynamica en osmotische druk werd Van ’t Hoff in november 1901 beloond met de allereerste Nobelprijs voor de Chemie. Dat was destijds overigens veel minder groot nieuws dan tegenwoordig. ‘Voormalig landgenoot wint enorm geldbedrag,’ was een beetje de teneur in de Nederlandse kranten.

“De jaarlijkse benoeming van een gebouw tot Nationaal Chemisch Erfgoed is een recent initiatief,” Ernst Homburg, emeritus hoogleraar geschiedenis van wetenschap en techniek aan de Universiteit Maastricht en voorzitter van de NCE-selectiecommissie binnen de KNCV. “Wij willen naar buitenlands voorbeeld de geschiedenis van de chemie meer zichtbaar maken in de publieke ruimte.”

De nieuwe plaquette geeft om die reden ook meer tekst en uitleg over het met een Nobelprijs beloonde onderzoek dat Van ’t Hoff op de Groenburgwal verricht. De oude gedenksteen op de gevel laat dat onvermeld. Die gedenksteen met summiere tekst verdwijnt overigens niet in een depot, verzekert Ernst Homburg. “Onze plaquette komt er gewoon naast te hangen.”

Zijdeweversgilde

Het pand op de Groenburgwal werd rond 1650 gebouwd voor het zijdeweversgilde voor de keuring en handel in zijde. Bij de verbouwing in 1857 tot universitair laboratorium sneuvelde het fronton en werd de gevel gepleisterd.

Na zijn benoeming tot hoogleraar in de chemie, mineralogie en geologie in 1878, betrok Van ’t Hoff het gebouw. Aanvankelijk zat hij daar met twee studenten, maar een snelle toename van het aantal studenten, onder wie talrijke buitenlanders, zorgde ervoor dat het chemisch laboratorium al snel niet meer voldeed.

Er was niet alleen gebrek aan ruimte, maar ook aan materialen noteerde de Almanak van het Amsterdamsche Studentencorps in 1887: ‘zoodat het dikwijls voorkomt dat iemand, om een retort of kolfje machtig te kunnen worden een gecompliceerden toestel van zijnen buurman tot de elementen terugbracht, niettegenstaande er nog vriendelijke verzoeken waren bijgeschreven, om genoemden toestel onaangeroerd te laten.’

Het baanbrekend onderzoek in het laboratorium op de Groenburgwal maakte van Van ’t Hoff al voor de toekenning van de Nobelprijs tot een gewild kandidaat voor een leerstoel aan een buitenlandse universiteit. Toen de chemicus in 1887 serieus overwoog in te gaan op een aanbod uit Leipzig, werd de gemeenteraad verzocht hem te behouden voor de stad met de bouw van een nieuw laboratorium ‘naar de eischen van de tijd en voorzien van alle noodige hulpmiddelen.’

Uiteindelijk stemde de gemeenteraad in met een nieuwbouwplan op de Nieuwe Prinsengracht. Dat laboratorium werd in 1891 in gebruik genomen. Het Museum van Voorwerpen tot Voorkoming van Ongelukken en Ziekten in Fabrieken en Werkplaatsen trok in het leegkomende complex op de Groenburgwal.

De bouw van het nieuwe lab op de Nieuwe Prinsengracht kon evenwel niet voorkomen dat Van ’t Hoff vijf jaar later alsnog koos voor een buitenlands avontuur, in Berlijn. Daar werd hij benoemd tot hoogleraar aan de universiteit en lid van de Königlich Preussischen Akademie der Wissenschaften.“Dat in 1891 in neogotische stijl gebouwde laboratorium aan de Nieuwe Prinsengracht was misschien een mooiere locatie geweest voor uitverkiezing tot Nationaal Chemisch Erfgoed,” zegt Ernst Homburg.

Het pand op de Groenburgwal is volgens hem door de eeuwen heen een beetje van zijn oorspronkelijke karakter kwijtgeraakt, maar de NCE-selectiecommissie had geen keuze. Het ‘gebouw met de torentjes’ op Roeterseiland is in 1987 afgebrand.

Intussen in Rotterdam

Werd in Amsterdam deze week het voormalige laboratorium van Jacobus Henricus van ’t Hoff benoemd tot Nationaal Chemisch Erfgoed, bij een verbouwing van een onderwijslocatie van de Hogeschool Rotterdam verdween juist de monumentale wandschildering van de chemicus die kunstenaar Dolf Henkes in 1955 oorspronkelijk maakte voor een olieraffinaderij in Pernis.

Na sluiting van de raffinaderij werd de wandschildering gered en overgebracht naar de hogeschool, betaald met giften uit het bedrijfsleven, enkele fondsen, de gemeente Rotterdam en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het kunstwerk is na ontmanteling eind oktober nog gespot, maar bleek later spoorloos. Volgens de hogeschool kon het werk ‘niet gehandhaafd worden’ en is het helaas vernietigd.

In de Rotterdamse gemeenteraad zijn vragen gesteld over de vernietiging.

Meer over