PlusAchtergrond

De verklikster van confectiefabriek Hollandia Kattenburg

Vrouwen van de Nationaal-Socialistische Vrouwenorganisatie brengen de door de NSB overgenomen Hitlergroet.  Beeld uit boek Foute Vrouwen
Vrouwen van de Nationaal-Socialistische Vrouwenorganisatie brengen de door de NSB overgenomen Hitlergroet.Beeld uit boek Foute Vrouwen

Historicus Paul van de Water is gefascineerd door nazicollaborateurs. In het boek Foute vrouwen beschrijft hij een reeks secretaresses, infiltranten en Jodenverraadsters. Veelal ging het om jonge vrouwen, zoals Martha Korthagen uit Amsterdam-Noord.

Peter de Brock


De Joodse medewerkers van confectiefabriek Hollandia Kattenburg waren lang vrijgesteld van deportatie, met dank aan de bestellingen van regenjassen en grondzeilen door de Duitse Wehrmacht. Tot op 11 november 1942, ’s middags om half vijf, de Grüne Polizei binnenviel. De niet-Joden werden gescheiden van hun collega’s en na een paar uur naar huis gestuurd.

De 357 Joodse arbeiders werden afgevoerd naar het hoofdkwartier van de Sicherheitsdienst in de Euterpestraat, die na de oorlog werd omgedoopt tot de Gerrit van der Veenstraat.. Daar werden ze geselecteerd op hun communistische sympathieën, door hun 19-jarige oud-collega Martha Korthagen uit Amsterdam-Noord. De communisten werden vastgezet in de kelder, de anderen werden met hun gezinsleden direct afgevoerd naar Westerbork.

Wat dreef jonge Nederlandse vrouwen als Martha Korthagen (1922-2012) om de kant van de Duitse bezetter te kiezen? Dat is de vraag die Paul van de Water in zijn nieuwe boek Foute vrouwen intrigeert. Al jaren is hij gefascineerd door gewelddadige collaborateurs gedurende de bezetting van Nederland en België in de Tweede Wereldoorlog.

Infiltrant en verklikster

Tijdens zijn onderzoek stuitte Van de Water op een aantal Nederlandse en Vlaamse vrouwen, die zich schuldig hebben gemaakt aan collaboratie. Anders dan hun mannelijke evenknieën, die zich vaak schuldig maakten aan geweld, deden de collaborerende vrouwen dat volgens Van de Water niet: “Althans niet in Nederland en Vlaanderen.”

Wat daarbij volgens hem een rol speelde, was dat gewelddadige organisaties als de Sicherheitsdienst, de Landwacht en politiediensten niet toegankelijk waren voor vrouwen. “Ze konden er wel werken als infiltrant en verklikster, of in ondersteunende functies als secretaresse, maar niet als rechercheur, agent of ondervrager.”

Het nationaalsocialisme voorzag voor vrouwen vooral een rol als moeder, opvoedster en verzorgster. Emancipatie werd afgedaan als een ‘uitvinding’ van Joodse intellectuelen. Geen van de in het boek van Van de Water besproken vrouwen werd veroordeeld voor excessieve geweldsdelicten, toch werden er vijf veroordeeld tot de doodstraf. Vonnissen die, tot verbazing van de historicus, ook zijn voltrokken.

Huishoudelijke hulp

De door Martha Korthagen aangewezen communistische Joodse medewerkers van Hollandia Kattenburg werden na een nacht op het SD-hoofdkwartier overgebracht naar de strafgevangenis in Scheveningen voor verder verhoor, waarbij het nodige geweld werd gebruikt. Daarbij zou ook Martha af en toe aanwezig zijn geweest.

Na twee weken werd het overgrote deel van de groep alsnog naar Westerbork gedeporteerd. Op tien personen na werden ze allen verdacht van ernstige sabotageactiviteiten. Door de militaire rechtbank in Utrecht werden zij ter dood veroordeeld.

Ook bij dit strafproces speelde Martha een rol, ditmaal als getuige à charge. Ze besefte heel goed wat ze had veroorzaakt, volgens Van de Water, en aanvaardde een baantje als huishoudelijke hulp in Duitsland, uit angst voor represailles van het verzet. In Duitsland werd ze ontslagen vanwege diefstal en verraadde ze een andere werkgever voor het luisteren naar de Engelse radio. Als kamermeisje in een hotel liep ze zware brandwonden op na een val met kokendheet water. De rest van de oorlog verbleef ze in een ziekenhuis.

Strafvermindering

Na haar uitlevering aan Nederland beweerde ze dat de brandwonden waren toegebracht tijdens het verhoor door de SD in de Euterpestraat. Een verhaal dat de Politieke Opsporingsdienst aanvankelijk geloofde, maar op 2 oktober 1948 werd ze alsnog veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar en levenslange ontzegging van de kiesrechten. In 1951 kreeg ze strafvermindering en werd ze wegens goed gedrag voortijdig vrijgelaten.

De vraag waarom Martha Korthagen verraad had gepleegd, laat zich volgens Van de Water niet eenvoudig beantwoorden. Vermoedelijk deed ze het niet vanwege sympathie voor het nationaalsocialisme of een antisemitische overtuiging. Zelf beweerde ze altijd dat ze onder dwang had gehandeld, nadat ze op 19-jarige leeftijd bij toeval was opgepakt, omdat haar naam was aangetroffen in een notitieboekje van een opgepakte communist.

Martha Korthagen kwam uit een gezin met dertien kinderen. Haar vader was venter van aardappelen, groenten en fruit. Nadat ze was opgepakt, was ze een gemakkelijke prooi voor Hanns Albin Rauter. Als hoogste leidinggevende van de SS en de politie in Nederland zinde het hem niet dat veel Joden door een uitzonderingspositie waren gevrijwaard van deportatie. Rauter wist zijn deportatieboekhouding weer een beetje op orde te brengen met het beschuldigen van de Joodse werknemers van Hollandia Kattenburg van sabotage. Met Martha als instrument, niet bestand tegen de druk of het geweld waarmee ze mogelijk werd bedreigd.

Toch zou het ook kunnen dat ze uit rancune handelde, na haar eerdere ontslag bij Hollandia Kattenburg wegens onzedelijk gedrag. Van de Water: “Maar er zijn geen indicaties dat haar boosheid leidde tot het verraden van haar voormalige collega’s.”

Paul van de Water: Foute Vrouwen, handlangsters van de nazi’s in Nederland en Vlaanderen. Omniboek, € 25,00.

Marta Korthagen Beeld uit: boek Foute Vrouwen
Marta KorthagenBeeld uit: boek Foute Vrouwen
De fabriek Hollandia Kattenburg op de Valkenweg in Noord met op de voorgrond het IJ.  Beeld Stadsarchief Amsterdam
De fabriek Hollandia Kattenburg op de Valkenweg in Noord met op de voorgrond het IJ.Beeld Stadsarchief Amsterdam

Zilveren Griffelwinnaar, fout in de oorlog

Tonny Vos-Dahmen von Buchholz (1923-2005) was de dochter van de Haagse NSB-politieman Rudolph Wilhelm Dahmen von Buchholz, tussen juni 1942 en begin 1943 hoofd van het Amsterdamse Bureau Joodse Zaken. Ze was secretaresse op het Haagse hoofdkwartier van de Sicherheitsdienst, en later bij De Nederlandsche Bank in Amsterdam, tot haar huwelijk met Jan Frederik Vos, luitenant van de staatspolitie met de rang van SS-Rottenführer. Als secretaresse van NSB-voorman en bankdirecteur Meinoud Rost van Tonningen raakte ze bevriend met diens latere echtgenote Florrie Heubel, alias de Zwarte Weduwe. Na Dolle Dinsdag vluchtte de zwangere Tonny naar Duitsland, haar man bleef in Amsterdam. Tot verbazing van Paul van de Water kreeg ze na de bevrijding slechts kortstondig huisarrest. Later zou ze als succesvol kinderboekenauteur ‘van verhalen vol blonde jongens met blauwe ogen’ tweemaal worden bekroond met de Zilveren Griffel, in 1975 en 1983. Van de Water: “Ze was jarenlang een goed verkopende auteur bij Luiting-Sijthoff en de voorlopers van Omniboek. Ja, ironisch genoeg ook mijn uitgever.”

Meer over