PlusAchtergrond

De diamanthandel was een zegen voor ‘rafelrand’ de Nieuwe Achtergracht

De Nieuwe Achtergracht was ooit het hart van de Amsterdamse diamantindustrie. De voornamelijk Joodse diamantbewerkers en -handelaren hebben veel voor de stad betekend op het gebied van gezondheidszorg, huisvesting, cultuur en onderwijs. Cultuurhistoricus Daniël Metz brengt met zijn nieuwe boek Diamantgracht een eerbetoon.

Hanneloes Pen
De slijperij van Ed. van Dam, op de Ruysdaelstraat 49, circa 1920. ‘Diamantbewerkers zaten vaak met zestig tot tachtig man op één zaal. Veel slijpers hadden kwetsbare longen en waren bevattelijk voor tbc.’ Beeld Stadsarchief Amsterdam
De slijperij van Ed. van Dam, op de Ruysdaelstraat 49, circa 1920. ‘Diamantbewerkers zaten vaak met zestig tot tachtig man op één zaal. Veel slijpers hadden kwetsbare longen en waren bevattelijk voor tbc.’Beeld Stadsarchief Amsterdam

Een wandeling langs de voormalige diamantfabrieken op de Nieuwe Achtergracht beslaat niet meer dan 500 meter. We beginnen de tocht met Metz bij het pand van de in 1845 opgerichte Diamantslijperij Maatschappij, een voormalig verhuurbedrijf van slijperswerkplaatsen en thans het Creagebouw.

In het pand, herkenbaar aan zijn talrijke grote ramen, zaten zo’n zeshonderd mensen zij aan zij met de rug naar het raam diamanten te slijpen. Het noorderlicht dat via de ramen binnenviel, was nodig om de steentjes goed te kunnen bekijken.

Gered van de slopershamer

Van het oorspronkelijke pand is reeds een derde deel gesloopt voor nieuwbouw van de Universiteit van Amsterdam. Pakweg twintig jaar geleden zou de rest van de fabriek worden platgegooid, maar na een actie van onder meer Metz en het Cuypersgenootschap is het in 2006 gelukt de oudste fabriek van de stad te redden van de slopershamer.

In zijn boek Diamantgracht beschrijft Metz de diamantindustrie die er vanaf het midden van de negentiende eeuw floreerde. “Dit gebied was in de zeventiende en achttiende eeuw nog de rafelrand van Amsterdam,” zegt hij. “Het was er, met varkensstallen, glasblazerijen en een vuilnisbelt, erg vervuilend. De diamantindustrie settelde zich hier desalniettemin, omdat het vlak bij het Waterlooplein was, waar de Joden woonden, die de voornaamste arbeidskrachten in het diamantvak waren.”

De diamantindustrie ontwikkelde zich in rap tempo. Terwijl in 1873 in Amsterdam slechts vier slijperijen zaten, was dat aantal vier jaar later verviervoudigd.

Pal naast de Diamantslijperij Maatschappij zat de fabriek van David Granaat, die met zijn vijfhonderd slijpmolens een van de grootste slijperijen was. Granaat verwierf aanzien en had een kantoor in New York. “De fabriek is helemaal weg. Van het kantoorpand is alleen de gevel blijven staan,” zegt Metz.

Bibliotheek voor arbeiders

Even verderop, op de hoek van de Nieuwe Achtergracht en de Roetersstraat, zetelde de in 1869 opgerichte Handwerkers Vriendenkring (HWV) die als doel had de diamantbewerkers door middel van lezingen en cursussen te ontwikkelen. De HWV begon in 1895 met het eerste ziekenfonds van de stad, de Ziekenzorg, en richtte een bouwfonds op om woningen op Uilenburg en in de Transvaalbuurt te bouwen.

In het pand zat een bibliotheek waar de arbeiders boeken konden lenen. Ook werden bij de HWV vergaderingen gehouden. De Joodse arts en SDAP’er Ben Sajet schreef in zijn boek Een leven lang over de verkiezingsdag van 1903. ‘De zaal was propvol met aanhangers van (socialistisch leider Pieter Jelles) Troelstra. Troelstra werd toen herkozen en dat gaf een geweldige blijdschap. Ik herinner me dat er toen een liedje gezongen werd: “Troelstra, die flinke vent, zit weer in het parlement en Henri Polak in de raad, oh, wat zijn die vromen kwaad”.’

Bevattelijk voor tbc

De tocht gaat verder langs de diamantslijperij van gebroeders Van Weerden & S.E. Slijper en diamantzagerij Ascor, van compagnons Van Asselt en Coronel, thans poollokaal De Gracht. We houden halt bij De Eendracht.

Naast diamantslijperij De Eendracht van Benjamin Coelho kwam in 1925 op nummer 100 de GG&GD te zitten, waar veel diamantbewerkers terecht konden voor de ‘tering’ of ‘witte pest’, zoals tuberculose ook wel werd genoemd.

Metz: “De diamantbewerkers zaten vaak met zestig tot tachtig man op één zaal. De ramen en ventilatiegaten werden in de winter dichtgedaan. Bij het slijpen kwam veel slijpstof vrij. Veel diamantslijpers hadden kwetsbare longen en waren bevattelijk voor tbc.”

Ernaast zat de Joodse Invalide, een modern verzorgingshuis voor 150 armlastige Joodse ouderen, dat met giften bij elkaar was gespaard. “Heel Nederland spaarde mee zodat het in de crisisjaren kon worden gebouwd. Het werd gezien als hét voorbeeld van acceptatie van de Joodse gemeenschap in Nederland,” zegt Metz.

Tekst gaat verder onder de foto.

De voormalige Diamantbeurs op het Weesperplein. 'Hier werd gehandeld op basis van vertrouwen.' Beeld Jakob van Vliet
De voormalige Diamantbeurs op het Weesperplein. 'Hier werd gehandeld op basis van vertrouwen.'Beeld Jakob van Vliet

De eerste Diamantbeurs

Aan de overkant, op het Weesperplein, opende in 1911 – het topjaar van de diamantindustrie – de eerste Diamantbeurs. Dat was vlak bij het Weesperpoortstation, een van de belangrijkste toegangspoorten tot de stad. Middelpunt was de beurszaal op de eerste verdieping van het gebouw met het prachtige torentje als landmark.

Metz: “Er werd gehandeld op basis van vertrouwen. Dat vertrouwen werd niet snel geschaad, want dan kon je je handel verder wel vergeten.”

De beurs was tevens een sociëteit voor de 1200 leden, van wie 80 procent Joods was. Metz: “Er stonden biljarttafels en er was een restaurant en een kapper. De beurs was niet alleen een handelsplek, maar deze faciliteiten konden helpen als smeermiddel voor de handel.”

Benjamin Abraham Soep startte enkele jaren voor de opening van de Diamantbeurs een moderne slijperij, die niet meer op stoom maar op elektriciteit draaide. De kranten schreven vol lof over de uitstekende hygiëne, goede ventilatie en moderne apparatuur.

In de jaren tien telde Amsterdam zo’n tachtig diamantfabrieken. De Tweede Wereldoorlog sloeg echter ‘op een weerzinwekkende wijze een gat’ in de diamantindustrie, schrijft Metz. Slechts een kleine groep heeft een nieuwe start kunnen maken.

Het boek Diamantgracht van Daniël Metz, uitgeverij Walburg Pers, kost 29,99 euro.

Menschen met duiten

Populair in de bibliotheek was het boek Diamantstad van Herman Heijermans, over het sappelen van de diamantarbeiders. Het harde bestaan en de sterke accenten waren een genot van herkenning voor de leners.

In het boek staat een dialoog tussen diamantbewerker Eleazar en een kind dat zich afvraagt waarom de kostbare steentjes geslepen moeten worden en wie ze dan koopt.

‘Door menschen met duiten,’ legt Eleazar uit. (…), om te ‘drage’.

Het jochie gelooft het niet: ‘Godvergeefme de zonde wat ken jij met ’n glad smoel staan liege!’

Meer over