PlusExclusief

Anne-Marie Grijzenhout van Café Nol: ‘Mijn opa was, hoe zeg je dat netjes, een patser’

Als eigenaar van Café Nol ziet Anne-Marie Grijzenhout één voordeel aan de veranderende stad. ‘Hoe hipper Amsterdam wordt, des te drukker krijgen wij het. Bij ons weet je wat je krijgt, het is al meer dan vijftig jaar hetzelfde.’

Robert Vuijsje
Anne-Marie Grijzenhout: ‘Je moet heel hard werken hier. Het komt erop neer dat we zoveel mogelijk drank in een zo kort mogelijke tijd moeten verwerken.’ Beeld Erik Smits
Anne-Marie Grijzenhout: ‘Je moet heel hard werken hier. Het komt erop neer dat we zoveel mogelijk drank in een zo kort mogelijke tijd moeten verwerken.’Beeld Erik Smits

De oma van Anne-Marie Grijzenhout vond, als oprichter van Café Nol in de Westerstraat, dat het interieur er net zo uit moest zien als haar eigen woonkamer. Kroonluchters, rode vloerbedekking, witte kanten gordijnen en rode lampjes. Oma en opa – hij heette Nol, over de naam van het café hoefde niet lang te worden nagedacht – woonden op eenhoog, boven de zaak. Het café werd geopend in 1966, de inrichting is nog steeds ongewijzigd.

Zelf woont Anne-Marie Grijzenhout om de hoek. “Ik hoor wel eens zo’n rondleider voorbijkomen met groepen toeristen. Die zegt dan: als u omhoogkijkt en van die witte gordijntjes bij de ramen ziet hangen, daar wonen nog de echte Jordanezen. Hallo, denk ik dan, ik ben wel een andere generatie. Mijn huis is niet meer zo ingericht.”

Maar nog even over die rode vloerbedekking. Die wordt om de drie maanden vervangen, vanwege het intensieve gebruik. Het is vier uur ’s middags, de zaak wordt schoongemaakt, dus Anne-Marie Grijzenhout zit op het terras van café De Blaffende Vis, de overburen in de Westerstraat. “Vroeger heette het Café Arie, toen zaten de Heinekenontvoerders hier. Het blijft een volksbuurt, waar wel eens iets gebeurt.”

Een paar panden naast De Blaffende Vis zit een andere zaak waar iets is gebeurd: de Jumbo die in februari door buurtbewoner Glennis Grace op stelten werd gezet. “Dat viel niet lekker, iedereen hier kent elkaar, we waren pissig. Het personeel van de Jumbo kreeg allemaal bloemen en taarten. Sloeg eigenlijk nergens op, want die verkopen ze zelf ook. Maar goed, het ging om het gebaar.”

Wat voor man was Nol?

“Mijn opa was, hoe zeg je dat netjes, een patser. Reed in een grote Amerikaanse auto waar hij een platenspeler in had laten zetten – alleen had dat geen zin, want bij iedere hobbel op de weg sloegen die plaatjes af. Op zijn revers droeg hij een diamanten vraagteken, hij liep rond in pakken. Twee of drie keer per week ging hij naar de kapper om zijn haar te laten föhnen. Hij wilde graag laten zien hoe goed het ging.”

Hoe werd jij de eigenaar van het café?

“Ik zeg altijd dat ik de dochter ben van een aannemer en een horecatijger. Mijn vader had een aannemersbedrijf en mijn moeder stond met haar moeder achter de bar in Café Nol. Daarna stond ik er met mijn moeder en later met mijn dochter.”

“Nu staat mijn dochter Lisa met haar partner Timon op de vloer. Eerst wilde ik hier niet werken en zat ik bij een horecazaak op het Leidseplein, tussen City en Palladium. Het is daar zo veranderd dat ik niet eens weet wat er nu in dat pand zit.”

“Ik begon hier één dag per week te werken, om een collega te vervangen die met zwangerschapsverlof ging. Het zou vier maanden duren. Dat is nu 26 jaar geleden. Zo’n café gaat onder je huid kruipen, je leert de mensen kennen. Uiteindelijk heb ik het café tien jaar geleden gekocht van mijn oom en tante. Het duurt een paar jaar tot de klanten je kennen, tot ze grappen met je kunnen maken. In het begin sta je achter de bar, ze bestellen bij je, maar je blijft op een eiland staan. Bij een nieuwe baan duurt het altijd even tot je weet hoe het werkt.”

Hoe werkt het dan?

“Je moet heel hard werken hier. Het komt erop neer dat we zoveel mogelijk drank in een zo kort mogelijke tijd moeten verwerken. We hebben gasten die op woensdag of zondag komen, die willen hier niet staan als vissen in een ton. Op donderdag hebben we livemuziek en vrijdag en zaterdag is een gekkenhuis, dan kun je bijna niet lopen, zo druk is het.”

Wat voor café is Nol?

“Het is alles wat je verwacht van een café. Leuke mensen, gezellig, een gemoedelijke sfeer, jong en oud en ieder milieu is welkom. Maar wat nou de truc is? Als ik dat zou weten, opende ik er honderd. Je hebt controle over drie dingen: de muziek, de mensen die er werken en je deurbeleid. Als je al vier vrijgezellenfeesten van meiden binnen hebt, wordt het een kippenhok. Hetzelfde bij groepen mannen, dan zeg je tegen het vijfde vrijgezellenfeest: sorry, nu even niet. Als er alleen jongeren binnen zijn, wil je er wat ouderen bij.”

Hou onderscheiden jullie je van andere cafés?

“Hoe hipper Amsterdam wordt, des te drukker krijgen wij het. Uiteindelijk willen onze klanten gezelligheid, een drankje en muziek van André Hazes. Dat is het. Hoeveel speciaalbiertjes kun je drinken? Of vegetarische bitterballen eten? Iedere zaak die nu wordt overgenomen, krijgt datzelfde trendy sausje. Ze gaan allemaal op elkaar lijken.”

“Een nieuwe tent met 150 verschillende soorten hummus. Ik denk dan: huh, wat is dit nou weer? Maar het zit vol, dus het zal goed zijn. Alleen: je kunt hip uit eten gaan, maar wat doe je daarna? Mensen willen toch die gezelligheid. Het sfeertje, het drinken en meezingen, het samenzijn.”

“Bij ons weet je wat je krijgt, het is al meer dan vijftig jaar hetzelfde. Als klanten vragen wat voor bier we hebben, zeg ik: Amstel, Amstel en Amstel. En we hebben één soort witte wijn. Ze hoeven hier niet om chardonnay te vragen.”

Hoe is Nol hét Jordanese café geworden?

“Dat is simpel: we zijn de enige. De rest is weg of overgenomen. Bij het Rembrandtplein heb je Bolle Jan, die zitten een beetje in hetzelfde segment, maar dat is niet in de Jordaan. Le Bastille zit nog bij het Leidseplein, alleen hebben die zich aangepast aan de toeristen. Minder Nederlandse muziek, de ouderwetse foto’s zijn van de muur gehaald. Ik begrijp het ook wel, op die locatie ben je afhankelijk van buitenlandse toeristen. Die krijgen wij niet.”

Waarom niet?

“Ze komen soms wel, maar ik vergelijk het met als ik op vakantie ben en in een Turks café zit waar ze alleen Turkse muziek draaien: iedereen zingt mee, maar ik versta er niets van. Dan ben ik ook weg na anderhalf uur. Zo is het voor toeristen die hier komen. Na een half uur vragen ze een nummer aan van The Rolling Stones, wat ze niet krijgen, en dan gaan ze weg.”

“Uit de rest van Nederland komen ze wel. Ik denk zelfs dat je op zaterdagavond bijna geen Amsterdammers bij ons binnen vindt, zo druk is het met mensen die een weekendje Amsterdam doen. Veel Volendammers, Brabant, Limburg, Groningen, ze komen overal vandaan. Wij noemen dat: die komen een avondje Nollen. Om acht uur gaan we open en dan komen ze meteen binnen.”

Bestaat er zoiets als Amsterdamse humor?

“Ik denk het wel. Direct en sarcastisch. Niet iedereen kan ermee omgaan. Maar we hebben de mazzel dat ze het vaak niet snappen. Achter de bar maken we een opmerking waar wij om moeten lachen en de gast snapt niet wat er gebeurt.”

Wat voor buurt is de Jordaan?

“Een dorp in de grote stad. Bij de slager of de bakker weten ze mijn voornaam, ik ken al mijn buren. Ik heb het dan over de echte Amsterdammers, hè? Niet eentje die zegt: ik woon hier al twintig jaar, dus nu ben ik ook een Amsterdammer geworden.”

Hoe onderscheidt het zich van andere Amsterdamse buurten?

“Dat weet ik niet, daar heb ik nooit gewoond. Als ik in De Pijp ben vind ik het leuk, maar ik heb geen idee hoe het is om daar te wonen.”

Ben je een Jordanees of een Amsterdammer?

“Een Amsterdammer. Als je zegt dat je een Jordanees bent: dat klinkt alsof het gaat om een soort buitenaards wezen van een andere planeet. Het is gewoon een Amsterdamse volksbuurt, net als de andere.”

Is de Jordaan veranderd?

“Een ander zal ja zeggen. Ik zeg nee. Of de buurt veranderd is: dat hangt af van hoe jij meebeweegt met de flow van ontwikkelingen die je altijd hebt in een stad. Je kunt je hakken in het zand zetten en roepen dat vroeger alles beter was. Alleen beweert iedere generatie dat. Mijn ouders zeiden het al tegen mij en nu zeg ik het tegen mijn dochter. Waar het om gaat: wat zijn jouw mogelijkheden om mee te bewegen? Dat het anders is, maakt het niet altijd slechter.”

Na de zomervakantie keert Robert Vuijsje terug met Door de ogen van...

CV
Anne-Marie Grijzenhout (Amsterdam, 1965) is de eigenaar van Café Nol in de Westerstraat.

De stad van... Anne-Marie Grijzenhout

Echt Amsterdams
“Altijd. Ik kan het ook niet echt verbergen. Zodra ik mijn mond open doe, horen mensen het.”

Accent
“Zelf denk ik dat het wel meevalt, maar de ervaring leert dat het niet zo is. Tegen mijn dochter zeg ik: mensen mogen horen waar je vandaan komt, maar ze moeten geen kromme tenen krijgen.”

Partner
“Heb ik niet. Maar hij moet niet veel verder dan uit Purmerend komen.”

Huur of koop
“Koop, midden in de Jordaan. Ja, ik ben nu wel blij dat ik heb gekocht.”

Import
“Mensen uit de rest van Nederland kunnen geen Amsterdammer worden. Accepteer dat gewoon en blijf jezelf, dat is prettiger dan doen alsof je er een bent terwijl het niet zo is.”

Amsterdammers klagen graag over de snel veranderende stad, maar willen hier toch blijven wonen. Hoe werkt dat, vraagt schrijver Robert Vuijsje (Alleen maar nette mensen, Salomons oordeel) zich af in een wekelijkse interviewserie met bekende en minder bekende Amsterdammers. Dit is aflevering 28. Lees hier alle afleveringen terug.

Luister naar onze podcast Amsterdam wereldstad

Meer over