Nieuws

ABN Amro biedt excuses aan voor slavernijverleden: ‘Lange geschiedenis kent ook schaduwkanten’

Historische voorgangers van ABN Amro waren in de achttiende en negentiende eeuw nauw betrokken bij slavenhandel en slavernij. De bank bood daarvoor, als eerste Nederlandse onderneming, woensdag haar excuses aan.

Patrick Meershoek
Henry Hope van het Amsterdamse Hope & Co, een van de voorgangers van ABN Amro.  Beeld Sepia Times/Universal Images Gro
Henry Hope van het Amsterdamse Hope & Co, een van de voorgangers van ABN Amro.Beeld Sepia Times/Universal Images Gro

ABN Amro bood woensdag haar excuses aan na de presentatie van nieuw historisch onderzoek naar het slavernijverleden van de bank. “In de meer dan driehonderd jaar geschiedenis heeft de bank veel om trots op te zijn,” sprak topman Robert Swaak tijdens een bijeenkomst op de Zuidas. “We erkennen dat dit verleden ook zijn schaduwkanten heeft. ABN Amro biedt haar excuses aan voor het handelen en de pijn die onze voorgangers in het verleden hebben veroorzaakt.”

Die voorgangers zijn het Amsterdamse Hope & Co en het Rotterdamse Mees & Zoonen. In opdracht van ABN Amro voerde een team van het Instituut voor Sociale Geschiedenis een diepgravend onderzoek uit naar de connectie van de historische voorlopers met slavenhandel en slavernij. Vooral de bank van de Amsterdamse familie Hope had vanaf de oprichting in 1762 als verstrekker en beheerder van leningen een spilfunctie in de Caribische plantage-economie.

Oprichter Thomas Hope was halverwege de achttiende eeuw al actief als handelaar in plantageproducten als koffie en suiker. Vanwege zijn handelsactiviteiten was hij als vertegenwoordiger van stadhouder Willem IV ook bestuurder van de West-Indische Compagnie. Als bankier verbond Hope enkele decennia later de Amsterdamse kapitaalmarkt met meer dan zeventig plantages in onder meer Suriname, Sint Maarten, Sint Eustatius, Grenada en Berbice (tegenwoordig deel van Guyana).

Namenlijsten

In de omvangrijke archieven van Hope & Co, ondergebracht bij het Stadsarchief, ontdekten de onderzoekers onder meer lijsten met namen van tot slaaf gemaakten die samen met de plantages als onderpand dienden voor een lening van de bank. Schrijnende documenten door hun kilheid, zegt onderzoeker Gerhard de Kok. “De tot slaaf gemaakten hadden uitsluitend economische waarde. Als iemand een been verloor, ging hij meteen voor een lagere waarde de boeken in.”

Het onderzoek bracht voor het eerst aan het licht dat de bank vanuit Amsterdam scherp toezicht hield op de plantages en zich zo nodig ook actief bemoeide met de bedrijfsvoering. De Kok: “De firmanten van de bank wisten precies wat er speelde en grepen in als dat wenselijk werd geacht. Bijvoorbeeld door tot slaaf gemaakten te verplaatsen van de ene naar de andere plantage. Dat daardoor soms gezinnen uit elkaar werden gerukt, speelde geen enkele rol.”

Voormalig bankgebouw van de firma’s Hope en Co. en Van Loon en Co. aan de Keizersgracht.  Beeld Collectie Stadsarchief Amsterdam
Voormalig bankgebouw van de firma’s Hope en Co. en Van Loon en Co. aan de Keizersgracht.Beeld Collectie Stadsarchief Amsterdam

Verrassend noemt De Kok het aandeel van de activiteiten in de totale bedrijvigheid van Hope & Co, indertijd een van de grootste financiële instellingen ter wereld. “In eerdere onderzoeken wordt de opbrengst van slavernij nogal eens gerelativeerd. Het was eigenlijk bijzaak. Wij hebben grondig gekeken naar de boekhouding van het jaar 1770 en moesten vaststellen dat de activiteiten die aan slavernij gerelateerd waren, een kwart tot een derde van de totale opbrengst vormden.”

Dat verklaart ook waarom de bank in de eerste helft van de negentiende eeuw het debat over de afschaffing van de slavernij met argusogen volgde. In een brief aan een Engelse bankier maakte firmant Henry Hope van zijn hart geen moordkuil: de beweging die ijvert voor afschaffing is een vorm van ‘vrome oplichterij’, de aanhangers zijn ‘fanaten’ die de bijl aan de wortel van de welvaart zetten. De Kok: “Vermoedelijk had Hope daarbij ook zijn eigen welvaart voor ogen.”

Het hele verhaal

Vooruitlopend op de afschaffing van de slavernij in de Europese koloniën, richtte de bank het vizier op de Verenigde Staten. Tussen 1836 en 1842 kocht Hope & Co voor 7 miljoen dollar aan obligaties van de Citizens Bank of Louisiana, opgericht om plantages te financieren in het zuiden van de Verenigde Staten. Toen in 1865 ook in de VS de slavernij werd afgeschaft, verspreidde Hope & Co in eigen land een circulaire waarin die maatregel werd gepresenteerd als een financiële ramp.

Alles bij elkaar voldoende reden voor excuses, vindt De Kok. “Wij hebben ons daar als onderzoekers niet mee bemoeid, maar het lijkt mij een logische consequentie. Het is goed dat banken ook naar de donkere kanten van het verleden kijken. Er wordt vaak goede sier gemaakt met de leeftijd van financiële instellingen als onderdeel van een imago van betrouwbaarheid en onkreukbaarheid. Dat is prima, maar dan moet ook het hele verhaal worden verteld. Dat is nu gebeurd.”

Het siert ABN Amro, voegt De Kok er meteen aan toe, dat de bank zelf opdracht heeft gegeven voor het onderzoek, en de onderzoekers daarbij alle ruimte heeft gegeven. “In 2006 is al eens een onderzoek uitgevoerd naar het slavernijverleden van de voorlopers van ABN Amro. Dat was een voorwaarde voor de overname van een bank in de Verenigde Staten. Dat onderzoek was onderdeel van de overname. Dit keer kwam de directie zelf met het verzoek.”

Formele excuses

De Raad van Kerken was in 2013 de eerste organisatie die formeel excuus maakte voor de rol van de kerk in slavenhandel en slavernij. Het afgelopen jaar volgden de steden Amsterdam (1 juli), Rotterdam (10 december) en Utrecht (23 februari). Het aanbieden van excuses is tegenwoordig onderdeel van een omlijnd proces, dat begint met grondig historisch onderzoek en eindigt met een gebaar richting de nazaten van de tot slaaf gemaakten. Ook ABN Amro laat weten in gesprek te zijn met vertegenwoordigers van de gemeenschap over vervolgstappen.

Meer over